Zelfbeschikking

Op 22 januari deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in de zaak tegen suïcide counselor Ton Vink, vrijwilliger bij de stichting De Einder. Vink zou in de zomer van 2004 een 54-jarige vrouw hebben geholpen een eind te maken aan haar leven. De rechtbank oordeelde dat Vink niet schuldig was aan overtreding van artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht. Hij had mevrouw Kleine weliswaar geholpen – hij had met haar gecorrespondeerd over de combinatie van medicijnen die zou moeten leiden tot de dood – maar hij had niet de regie gevoerd over haar zelfdoding. Dat had ze zelf gedaan.

NRC Handelsblad toonde zich tevreden met de uitspraak. „Zelfmoord is nooit goed. Vandaar dat de rechtsprekende autoriteiten streng waken over de wettelijke grenzen aan het bieden van hulp bij zelfmoord. (…) Deze uitspraak houdt de vrijwilligers van de stichting de Einder scherp, ook al komt de verdachte vrij”, aldus het hoofdredactionele commentaar. Vele lezers toonden zich onaangenaam verrast. Wat was dit opeens voor benepen conservatief geluid in hun anders zo liberale avondblad? Nam de krant een voorschot op een kabinet met de ChristenUnie? Wou men het aanstaande kabinet van meet af aan welwillend tegemoet treden?

Andere lezers schreven over gevallen van zelfdoding in hun omgeving, die zij – alles afwegende – eigenlijk wél als ‘goed’ wilden kwalificeren. Patiënten met een beginnende ziekte van Alzheimer die hun leven beëindigden. Hoogbejaarden die hun leven als afgerond beschouwden en de onvermijdelijke aftakeling niet wilden afwachten. Ongeneeslijk zieke patiënten met multiple sclerose of aids, die volgens hun arts nog niet in aanmerking kwamen voor euthanasie, maar die daar zelf anders over dachten en hun leven wilden beëindigen. Wat was daar in vredesnaam mis mee?

En daar is ook niets mis mee. Het is tragisch dat mensen dement worden, aftakelen en lijden aan MS of aids, maar het is niet per se extra tragisch als die mensen hun levenseinde bespoedigen. Waarom krijgen we het dan toch benauwd als we lezen over de activiteiten van de Stichting De Einder? En waarom helpt het niet als de rechter een ‘artikel 294’-toets uitvoert?

Laten we eens kijken naar een aantal andere voorbeelden van zelfdoding zonder doktershulp.

Jan Hilarius, collega van Ton Vink, assisteerde een vrouw van 25. De vrouw was psychiatrisch patiënte, leed aan een borderlinestoornis en pleegde zelfmoord op de door De Einder aangeduide wijze. Hilarius werd vervolgd voor zijn aandeel in deze zelfmoord. De familie van de overleden vrouw was woedend op hem.

Psychiatrisch patiënt René (33 jaar oud) pleegde zelfmoord in aanwezigheid van zijn ouders en broer.

Hans (41 jaar) leed aan een door artsen niet aan te tonen darmaandoening die leidde tot overgevoeligheid voor steeds meer soorten voedsel. Hij besloot zichzelf uit te hongeren tot de dood.

Jaap (38 jaar) had tweemaal in zijn leven een vaste liefdesrelatie. Tijdens die perioden was hij gelukkig. Toen zijn relatie misliep kon hij niet meer gelukkig zijn. Hij verzamelde dodelijke middelen in Zwitserland en maakte een eind aan zijn leven.

Een rechter die moet oordelen over hulp die deze mensen kregen, toetst hun handelen zoals het optreden van Ton Vink is getoetst. Het centrale criterium is: wie had de regie? Heeft de zelfdoder de cruciale handelingen zelf verricht of heeft de hulpverlener-counselor een leidende rol gespeeld? Wie maakte de dodelijke tabletten fijn met een vijzel? Wie draaide de dop van de pot met jam waarmee de yoghurt werd aangemaakt, toen die – door alle slaapmiddelen – een bittere smaak had gekregen? Wat gebeurde er toen de doordrukstrip van de medicijnen op de grond dwarrelde? Heeft de zelfdoder de strip toen zelf weer opgepakt of heeft de hulpverlener dat gedaan?

Deze juridische scherpslijperij is alleen bevredigend voor uiterst principiële aanhangers van de leer van de zelfbeschikking. Voor hen ligt daar inderdaad de cruciale vraag: werd er zelf beschikt of werd er gestuurd? Voor veel anderen is de cruciale vraag anders. Die willen vooral weten of de zelfdoding ‘goed’ was: voorstelbaar, plausibel, uit te leggen aan familie en latere nabestaanden. Dat was vast het geval voor de zelfdoding van de man van een van de schrijfsters van de ingezonden brieven, die leed aan Alzheimer en die zichzelf en zijn familie een onwaardig einde wilde besparen. Dat was waarschijnlijk niet het geval voor de vrouw van 25 die een eind maakte aan haar leven na adviezen van De Einder en de vraag of Hilarius wel of geen pillen uit een pakje heeft geschud om haar te helpen is daarbij niet relevant.

Het hoofdredactionele commentaar had beter anders kunnen luiden. Zelfdoding is soms goed. Maar de rechterlijke uitspraken op basis van art 294 van het Wetboek van Strafrecht helpen ons niet, als we willen uitmaken wanneer dat het geval is. En om het allemaal nog erger te maken: dat probleem laat zich niet oplossen met andere wetgeving of betere jurisprudentie, want het verschil tussen een goede en een slechte zelfdoding laat zich niet codificeren.

De voorbeelden komen uit Ton Vink, ‘Als de dood voor de dood?’ (2002) en uit B.E. Chabot, ‘Sterfwerk’ (2001). Eerdere columns van Margo Trappenburg op www.margotrappenburg.nl.