Wie is er bang voor Bridget Jones?

Verpest het ‘lichte genre’ de markt voor Nederlandse literatuur voor vrouwen, zoals sommige auteurs menen? En wat is het eigenlijk precies, Hollandse ‘chicklit’?

Drie vrouwen staan op de longlist voor de Libris Literatuurprijs: Fleur Bourgonje, Natalie Koch en Sana Valiulina. Zou één van hen winnen? Waarschijnlijk niet. De laatste 22 AKO- en Librisprijzen gingen naar mannen; Connie Palmen was in 1995 de laatste vrouw met De vriendschap. De spaarzame bekroning van literatuur van vrouwelijke schrijvers was voor auteur Mariët Meester aanleiding om zich in november te beklagen in Trouw. Haar verklaring: literaire jury’s zijn niet in staat onderscheid te maken tussen waarlijk belangrijke boeken die door vrouwen zijn geschreven, en de ‘chicklit, of hoe het ook moge heten’ die op grote schaal door een deel van die groep wordt geproduceerd. In de ogen van professionele beoordelaars is elke schrijvende vrouw volgens Meester een ‘writer on heels’, de zelfgekozen geuzennaam van schrijfster Susan Smit en enkele knappe collega’s. En omdat serieuze juryleden niet willen riskeren dat een schrijfster van ‘chicklit’ per ongeluk voor vol wordt aangezien, sluiten ze alle vrouwen maar van beoordeling uit.

Schrijver Herman Stevens reageerde eind december in deze krant. Literatuur is altijd succesvol door beide seksen bedreven, schrijft Stevens. In de 18de en 19de eeuw waren er immers talloze vrouwen die romans schreven, ‘om de kost te verdienen, om de verveling te verdrijven, of gewoon uit geldingsdrang.’ Pas rond 1900, aldus Stevens, ‘trok de literatuur zich terug in een ivoren toren waar alleen mannen welkom waren.’ Dat vrouwen sindsdien hun plek in de serieuze literatuur niet hebben heroverd is ook volgens deze auteur – onder meer – te wijten aan chicklit. Doordat zoveel vrouwen prullenbakrijpe pulp schrijven, en zoveel uitgevers het uitgeven, moeten serieuze vrouwelijke auteurs zich extra bewijzen, denkt Stevens. En hij concludeert: ‘Pas als de markt voor goedkope vrouwenliteratuur van pure verzadiging is ingestort, zullen vrouwen weer een kans maken om serieus te worden genomen als schrijver.’

Stevens lijkt dus te menen dat een kunstvorm devalueert wanneer ‘lagere’ of lichtere varianten aan populariteit winnen. Opmerkelijk. Zo trekt bijvoorbeeld niemand de kwaliteit van onafhankelijke Europese cinema in twijfel, omdat er ook Amerikaanse romantische comedy’s bestaan. De waarde en de waardering van het werk van Virginia Woolf zijn niet minder sinds de eveneens Britse, vrouwelijke schrijfster Helen Fielding chicklit-heldin Bridget Jones tot leven bracht.

De curieuze analyses van Meester en Stevens maken wel benieuwd naar het kennelijk alom aanwezige genre van de chicklit. Om wat voor boeken gaat het in Nederland nu eigenlijk precies?

Allereerst een geruststelling: Nederlandse chicklit bestaat niet. In elk geval niet van het populaire Britse type Jill Mansell/Sophie Kinsella-‘hoe combineer ik mijn relatie met mijn shopverslaving’? Een willekeurige greep uit het aanbod levert de volgende, niet bijster originele maar toch potentieel interessante thema’s op: jonge vrouw krijgt te horen dat ze kanker heeft en beschrijft haar ziekte en genezing (Meisje met negen pruiken, Sophie van der Stap), jonge vrouw verbreekt ongezonde knipperlichtrelatie en vindt zichzelf opnieuw uit (Het jaar dat ik dertig werd, Aaf Brandt Corstius), en, heel hedendaags, jonge vrouw krijgt gecompliceerde relatie na serie internetdates (Fantastica, Merel Roze). Spunk-debutante Wiegertje Postma kiest in 5 strippen een afwijkend onderwerp: dezelfde busreis over de Veluwe, steeds gezien door de ogen van een andere passagier, waaronder een jonge vrouw.

Wat de auteurs delen is hun geringe literaire ambitie. En het semi-autobiografische aspect: alle auteurs behalve Postma kiezen een jonge, Amsterdamse vrouwelijke hoofdpersoon die een leven leidt waarvan men mag aannemen dat het lijkt op dat van de schrijfster. Maar qua stijl, vorm, humor en originaliteit zijn de verschillen erg groot.

Het meest levensecht is Sophie van der Staps Meisje met negen pruiken. Studente en fotomodel Van der Stap kreeg vorig jaar te horen dat ze kanker had, en doet verslag van haar ziekbed en genezingsproces. Hoewel dit boek dankzij het onderwerp gemakkelijk boven het genre van de chicklit uit zou hebben kunnen stijgen, doet het dat niet. Want hoe aangrijpend sommige passages over eindeloos overgeven of zwembaden vol nachtzweet ook zijn, eigenlijk gaat het daar niet over. Net als bij alle andere luchtige meisjeslectuur draait het bij Van der Stap om daten en uitgaan, om de vraag of de hoofdpersoon wel knap/slank/sexy genoeg is, en of het object van haar begeerte (hier soms een arts, dat wel) haar liefde wel beantwoordt.

Dat Van der Stap niet zomaar een ‘bad hair day’ heeft, maar al haar haar verliest als gevolg van een chemokuur, lijkt weinig uit te maken. Haar leven verandert niet wezenlijk; zíj verandert niet wezenlijk. Dat is in zekere zin geruststellend, maar ook ongeloofwaardig. Schiet de auteur niet simpelweg tekort bij het verwoorden en (literair) interpreteren van deze ingrijpende episode? Of is haar fier uitgedragen oppervlakkigheid een bewuste keuze?

In het boek met het meest eigentijdse thema, Fantastica, beschrijft Merel Roze, die voor haar gedrukte debuut als blogger al enige bekendheid genoot, een serie internetdates die heldin Roos uiteindelijk in de armen jagen van een virtuele vrijer van twijfelachtig allooi. Het is opvallend hoezeer de beschrijving van die afspraakjes het stempel draagt van televisieseries als Sex and the City. Voordat die komisch gecultiveerde Amerikaanse oppervlakkigheid hele volksstammen vrouwen bereikte was het immers niet zo onoverkomelijk dat een potentiële minnaar zijn boord geheel dichtknoopt of een gouden ketting draagt. Waarom laat Roze haar hoofdpersoon deze, zogenaamd hilarische, uiterlijke kenmerken zien als ernstige obstakels voor een serieuze relatie? Wordt een dergelijk gebrek aan diepgang gedicteerd door het genre? Of volgen zulke opvattingen vanzelf uit een al te enthousiaste deelname aan het doordraaiende (internet)datingcircuit? Als de mogelijkheden onbeperkt zijn moet je immers ergens een grens trekken. Veel sympathie voor hoofdpersoon Roos houdt de lezer er echter niet aan over.

Dat is anders bij Aaf Brandt Corstius. Zeker, de wederwaardigheden van haar literaire alter ego, simpelweg Aaf, in Het jaar dat ik dertig werd, zijn vergelijkbaar met die van de anderen: jonge vrouw in Amsterdam verruilt baan, flat en vrienden voor een leven met haar geliefde in New York. Maar dat leven – en die liefde – vallen tegen. Terug in Amsterdam moet Aaf leren wennen aan een leven zonder ‘Meneertje Knipperlicht’. Tot zover niets nieuws. Maar Brandt Corstius slaagt er als enige wél in haar hoofdpersoon een hedendaagse heldin van het type Bridget Jones te laten zijn. Haar Aaf is het prototype van de ‘komisch-neurotische (semi-)vrijgezelle vrouw’, die zich hartveroverend onhandig en met veel gevoel voor drama en zelfspot, door het leven slaat. Het soort vrouw wier introductie als rolmodel, in de vorm van Bridget Jones en Ally McBeal een paar jaar geleden, voor veel vrouwen een verademing was. Een vrouw om wie je kan (en mag!) lachen.

Hoewel ze het in 5 strippen nog niet altijd even goed weet te doseren, heeft ook Wiegertje Postma een zeker stilistisch talent. Met zichtbaar plezier schrijft ze zinnen als: ‘Meestal probeer ik onderweg iets te lezen om mijn voorsprong op de nog slapende rest van de wereld niet verloren te laten gaan, maar de hoek die mijn oogleden moeten maken als ik rechtop zittend een boek probeer te lezen is dusdanig klein dat volledig dichtvallen het onvermijdelijke gevolg is.’ 5 strippen staat boordevol vergelijkbare, stilistische vingeroefeningen – niet altijd even geslaagd maar veelbelovend voor een volgend, minder haastig uitgegeven boek.

Dat twee van de vier bovengenoemde boekjes hoopvol stemmen, is geen slechte score. Maar interessant is wel waarom een auteur als Brandt Corstius, die onmiskenbaar meer in haar mars heeft, nu (nog) kiest voor de chicklit. Ook Roze en Van der Stap zijn duidelijk niet van de straat – Van der Stap koketteert in haar boek zelfs een beetje met haar gymnasiumdiploma en de klassiekers die ze in het ziekenhuis leest. Arnon Grunberg heeft Spunk-talent Renske de Greef (Lust, Seks in Afrika en een nieuw boek dit voorjaar) al eens zo aangeprezen: ‘Als Renske net zo goed over politiek als over seks zou schrijven, kunnen Heldring, Hofland en Blokker met pensioen’. Maar over politiek schrijven doet De Greef dus niet. Waarom verkiezen deze intelligente jonge vrouwen, die mogelijk interessante boeken zouden kunnen schrijven, oppervlakkige verhaaltjes over uiterlijkheden? Het idee dringt zich op dat dit niet is uit onmacht, maar expres: omdat het ze interessant, leuk of lucratief lijkt.

Het commerciële argument ligt voor de hand: er is vraag naar. Vraag van veel vrouwelijke lezers, en dus van uitgevers (denk aan Stevens’ ‘vrouwenboekenmarkt’). Die uitgevers zijn intussen verwikkeld in een wedloop naar het nieuwste jonge, hippe, vrouwelijke talent, en speuren kranten, bladen en internet af naar goed verkoopbare vrouwen die (kunnen) schrijven. Het is veelzeggend dat elk van de bovengenoemde schrijfsters zelf eerst een column of weblog had, of als journaliste werkzaam was. Ongetwijfeld zijn hun boeken door de uitgever bedacht, en, tot op zekere hoogte, gestuurd. Dit is niet het type boek waarvan het manuscript eerst maandenlang in een uitgeversla heeft liggen verstoffen.

Als generatie hebben deze jonge vrouwen daarnaast gemeen dat het inmiddels wel geaccepteerd is dat ze zich, naast belangwekkende onderwerpen als opleiding en ambitie, ook gewoon zorgen maken over hun figuur, of het vinden van een man. Mede dankzij karikaturen als Bridget Jones, Ally McBeal en de dames uit Sex and the City geldt dit niet meer als ouderwets, of ongeëmancipeerd, maar als een eenvoudig – zij het niet allesbepalend – feit, dat moedig-kwetsbaar wordt erkend, maar waar ook volop de draak mee wordt gestoken. Soms lijkt het wel alsof deze generatie vrouwen die weinig intellectuele preoccupatie doelbewust overdrijft, als om afstand te creëren met de vorige generatie feministen bij wie het soms leek dat vrouwen niet mooi móchten zijn, wilden ze serieus genomen worden. De focus op uiterlijk en mannelijke erkenning lijkt een statement: het is hip, het geldt als zelfverzekerd: wij zijn slim en onafhankelijk maar we willen zélf ook begeerlijk zijn. Het is zelfverkozen oppervlakkigheid als fier uitgedragen lifestyle.

‘Lipstickfeminisme’ is het ook wel genoemd. En de moeder daarvan, hoewel zij nog meer ‘macha’ was dan kwetsbaar, is natuurlijk Madonna. Bij al deze auteurs schemert iets van haar brutaliteit, van de eigengereidheid, van het lak hebben aan conventies, door in hun boek. De hoofdpersoon van Roze is bijvoorbeeld buitengewoon goedgebekt en bijdehand. Renske de Greef maakt zich volstrekt niet druk om een mogelijk sletterig imago, maar schrijft met veel plezier, sappig en soms zelfs nogal plat, over haar seksuele escapades. En Brandt Corstius is, in haar licht ironische gedweep met mode en soapseries, weer nadrukkelijk anti-intellectualistisch. Dat geen van deze schrijfsters zich bovendien zorgen lijkt te maken over of ze in de literatuur wel serieus zullen worden genomen, is op zichzelf al een onafhankelijkheidsverklaring. Zij hebben zin om vrolijke, luchtige boekjes te schrijven, dus dan doen ze dat gewoon – wat de literaire kritiek, of Mariët Meester, er ook van mag vinden.

Heeft deze eigenwijze instelling daadwerkelijk negatieve gevolgen voor de participatie van vrouwen aan de serieuze literatuur? Dat lijkt niet erg waarschijnlijk. Om terug te komen bij Herman Stevens: de meeste boeken die vrouwen ‘als tijdverdrijf’ schreven in de 18e en 19e eeuw waren ook snel vergeten flutromannetjes: chicklit avant la lettre. Maar in 1782 verscheen er ook ineens Sara Burgerhart. Dus laat al deze schrijvende jonge vrouwen vooral lekker jonge-vrouwenboeken publiceren: experimenteren, leren en wellicht straks triomferen. Als het niks is, geen probleem – we hoeven het niet te lezen. Maar misschien houdt zo’n boek soms enige belofte in, zoals bij Postma en Brandt Corstius. Laat deze talenten dan maar makkelijke bekendheid verwerven met hippe commerciële boekjes – dat maakt de kans dat hun eerste serieuze roman ook gepubliceerd en opgemerkt wordt, alleen maar groter. Maar die moeten ze dan straks wel even schrijven.

Sophie van der Stap: Meisje met negen pruiken. Prometheus, 224 blz. € 15,–Merel Roze: Fantastica. Archipel, 280 blz. € 16,95Aaf Brandt Corstius: Het jaar dat ik dertig werd. Arena, 224 blz. € 15,95Wiegertje Postma: 5 strippen. Rothschild en Bach, 175 blz. € 12,50

    • Herien Wensink