Tobben levert oponthoud op

Arie Storm Foto Vincent Mentzel Arie STORM,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==F/C==Amsterdam, 6 april 2004 Mentzel, Vincent

Arie Storm: De bruid en de kogel. Mouria, 190 blz. € 16,50.

‘Schrijven is te leren’. Zo luidde de opgewekte openingszin van De X-Files van de literatuur (2005), een beschouwing van Arie Storm over de in zijn ogen geheimzinnige werking van literatuur. Wat hij zijn cursisten voorhield, was onder meer dat zij iets interessants te melden moesten hebben en vooral niet te persoonlijk moesten worden. Verder adviseerde hij hen om oefenstof tot zich te nemen en veel literatuur te lezen, niet in de laatste plaats de romans van Arie Storm zelf. ‘De volgende keer tref ik u weer in het praktijkgedeelte van mijn schrijverschap’, heette het, ook al zo welgemoed.

In De bruid en de kogel, zijn zesde roman, kunnen de leerlingen nu een kijkje nemen in de werkplaats van de meester. Of ze er veel wijzer van zullen worden, is de vraag. Want met het voorschrift om niet persoonlijk te worden, lijkt Storm nog meer dan we al van hem gewend waren, de hand te lichten. De hoofdpersoon is schrijver, heet Arie Storm, woont met vriendin en dochter in Amsterdam-Zuid en is nu aan zijn zesde roman bezig, die De bruid en de kogel zal gaan heten. Hij beweert dat hij voor zijn boeken altijd al heeft geput uit privéomstandigheden, al vond hij het tot nu toe nodig om dat te maskeren. ‘Dat moet nu afgelopen zijn’, heet het ferm. ‘Mensen, lezers [...] houden er niet van om belazerd te worden. [...] Ze willen the real thing. Het echte leven. Onversneden leed.’

In Gevoel (2004), zijn vorige roman, beschreef hij uitgebreid hoe zijn vader stierf, terwijl pa Storm, zoals wij nu begrijpen, in werkelijkheid vrolijk voortleefde. Deze keer schrijft hij over zijn overleden oudste zuster aan wier nagedachtenis de roman is opgedragen. De suggestie wordt dus gewekt dat de zuster ook in werkelijkheid op jonge leeftijd overleed, mogelijk op de door Storm beschreven gewelddadige wijze. Toch maakt De bruid en de kogel een weinig levensechte indruk. Zeg maar gerust: rijkelijk bedacht en in zichzelf rondzingend.

Van de zus komen we niet veel meer te weten dan dat zij sterft op haar trouwdag. Op zichzelf een smartelijk gegeven, maar de lezer kan weinig aanvangen met dit leed, of het nu ‘onversneden’ is of niet, omdat zij geen enkele contour krijgt in het boek. Haar voorbije leven wordt niet van enige toelichting voorzien, en haar vroegtijdige dood evenmin. Aan de beschrijving van de vreemde trouwdag gaat bovendien een wel erg lange opmaat vooraf, waarin de schrijver zijn eigen innerlijke roerselen breed uitmeet. Hij wordt geplaagd door uiteenlopende gedachten, die hij niet goed op een rijtje weet te krijgen. ‘Mijn tobben kent soms geen grenzen.’

Herhaling en uitstel zijn beproefde stijlmiddelen van Storm, maar in deze roman levert dat wel érg veel zinloos oponthoud en oeverloos geleuter op. Storm kan wel beweren dat ‘alles met alles’ samenhangt en dat dat alles ook nog eens zou verwijzen naar de onfortuinlijke trouwdag van zijn zuster, maar hij verzuimt aan zijn lezers duidelijk te maken hoe die verbanden ook maar bij benadering liggen. Wat hebben die vrouwen met blauwe bikini’s eigenlijk te zoeken in het boek? Wat is dat voor ‘voortdurende angst’ waaronder hij gebukt zou gaan, maar die hij nergens weet over te brengen? Waarom moeten we tientallen bladzijden lezen over een toch behoorlijk saaie taxirit met een zwijgende chauffeur? En wat is er precies mis met de literatuur? Zijn hoofdpersoon kan wel beweren dat ‘de kwaliteit van de Nederlandse literatuur zich op een dieptepunt bevindt’, maar dat geldt net zo goed voor deze zin over die teleurstellende Nederlandse literatuur.

Ook in het licht van zijn slordige stijl pakt de waarschijnlijk komisch bedoelde rode draad in de roman wat ongelukkig uit. Steeds opnieuw krijgen we te lezen hoe succesvol, hoe fameus en hoe winstgevend het schrijverschap van Arie Storm is. ‘Wat de verkoopcijfers betreft kunnen mijn romans de competitie aan met die van de auteur Kluun.’ Overigens acht hij Kluun een ‘prutschrijver’ – in tegenstelling natuurlijk tot zichzelf. Misschien moet Kluun de kunst maar eens gaan afkijken bij Storm. Schrijven is immers te leren.