Tjallings dagboek

Wat vooraf ging: Katja en Tjalling zijn door de woestijn gereden, allebei op een helft van de doormidden gebeten worm Paliseter. Tenslotte zijn de twee wormhelften onder de grond verdwenen...

„Die arme worm”, zei Katja.

„Worm-én”, zei ik.

„Onzin”, zei Katja. „Het is één worm in twee helften. Als jij een arm kwijtraakt, zeg ik toch ook niet Tjalling-én?”

„Nee, maar uit mijn losse arm groeit ook geen nieuwe Tjalling.”

„Uit zo’n halve worm wel?”

„Vaak wel”, zei ik. „Ik heb vroeger wel eens een worm doormidden gehakt. En de stukken heb ik toen bewaard in een pot aarde. En na een week ofzo waren dat echt weer twee wormen.”

Ik zuchtte. Want opeens verlangde ik naar m'n kamer op de boerderij. Wat was het lang geleden dat ik daar was...

En daar stonden we dan, naast een glazen wand in de woestijn. En naast twee gaten in de grond, waarin de helften van Paliseter waren verdwenen.

„Die worm had iets eenzaams toen we hem ontmoetten”, zei Katja.

„Vind je?” vroeg ik.

Katja knikte. „Maar nu is-ie dus met z’n tweeën”, zei ze.

Even was het stil, maar toen zei ze er achteraan: „net als wij.”

En ze keek me aan. Anders dan anders. Dat snibbige was een beetje weg. Ik werd er verlegen van.

„Wij waren dus op zoek naar Sebastiaan, weet je nog?” zei ik maar. „We moeten dus verder. Weet je nog wat Paliseter een keer zei? Die zie dat er doorgangen en tunnels waren. Naar andere kamers.”

„Kamers?” vroeg Katja. „Ik heb dorst.”

„Ik heb nog een flesje ijsthee”, zei ik. „En dit zijn volgens mij kamers. Deze woestijn. En die zee. En Barbieland.”

Katja slurpte het grootste deel van mijn flesje leeg, tot ze zich weer herinnerde dat ik bestond. Daarna kropen we in één van de gangen die Paliseter had gemaakt. Ik ging als eerste.

„Dit is een worm-hole” , zei ik. „Weet je wat dat is?”

„Ja hoor”, zei Katja. „Dat is Engelse voor wormhol.

„Een worm-hole is een gat in de ruimte”, zei ik. „Dat heb ik in Star Trek gezien. Als je door een worm-hole gaat, kom je uit op een plek die je helemaal niet had verwacht.”

„We komen telkens uit op plekken die we niet hadden verwacht”, zei Katja. „Kruip nou maar door. Ik vind ’t hier eng.”

„Ik zit vast, geloof ik”, zei ik.

„Jezus!” riep Katja. „Het zál weer eens niet!”

„Dat was een grapje”, zei ik. „Ik zie een uitgang.”

Boven ons scheen licht. We kropen naar buiten. We kwamen terecht in een kamer. Een echte kamer met een vloer, met veel rode gordijnen en met een hoge spiegel. „Juist”, zei ik, het zand van me afkloppend. „Dat krijg je met worm-hole.”

„Shit!” zei Katja. Ze stond zichzelf te bekijken in die spiegel. „Shit, wat zie ik eruit!.”

Ik zag niks bijzonders aan ’r. Goed, haar kleren waren wat groezelig. En Katja zelf had een schaafwondje op haar voorhoofd en een korst op haar linkerkuit. Maar verder was ze gewoon hetzelfde.

„Dit was een jurk van Oilily!” zei ze jammerend. Ik bekeek mezelf. Ook mijn kleren waren verfomfaaid, maar het stond me wel. En er was nog iets anders...

„Jeetje!” zei ik.

„Wat?” zei Katja

„Ik... Ik ben afgevallen!”

Katja giechelde. „Dat krijg je met een worm-hole”, zei ze. „Is er toch een nieuwe Tjalling uit je gegroeid.”

Wordt vervolgd