Stop met ontwikkelingshulp

Ontwikkelingshulp heeft niet gebracht wat we ervan verwacht hebben.

Stop er dan ook mee.

En benoem niet langer een eigen minister, betoogt

Piet Emmer.

Hoelang kunnen onszelf nog voor de gek houden? Wordt het niet eens tijd om het wensdenken van de vorige eeuw achter ons te laten en in het nieuwe kabinet geen plaats meer in te ruimen voor een minister voor Ontwikkelingssamenwerking? Dat zou de kloof tussen werkelijkheid en politiek verkleinen, want van een duidelijk verband tussen hulp en ontwikkeling blijkt in de meeste derdewereldlanden geen sprake te zijn.

De hoop van vijftig jaar geleden dat de dekolonisatie in combinatie met geldschenkingen à la de Marshallhulp elk land even rijk zou maken als West-Europa of de VS, is een illusie gebleken. Het woord ‘ontwikkeling’ blijkt niet alleen een leugentje om bestwil te zijn, dat geldt ook voor het woord ‘samenwerking’. Dat heeft niets om het lijf, want zonder enige nadeel kan Nederland de contacten met tientallen arme landen verbreken, als het erin zou slagen om de samenwerking met Duitsland met een paar procent te laten toenemen.

Het idee om arme landen geld te geven is geboren uit schuldgevoel. Had het koloniserende Europa Afrika en Azië niet uitgebuit en arm gehouden? Na de Tweede Wereldoorlog sloeg er een golf van antikolonialisme over de wereld en met ontwikkelingshulp hoopte Europa dat schuldgevoel te overwinnen. Maar een halve eeuw later weten we dat veel dekolonisaties niet gebracht hebben, wat de bevlogen voorstanders zich ervan hadden voorgesteld. In een aantal Afrikaanse landen gaat het zelfs slechter dan ten tijde van het koloniaal bewind, want dat was niet corrupt en had meer dan de eigen elite oog voor gezondheidszorg, politieke stabiliteit, godsdienstige verdraagzaamheid, economische ontwikkeling en zelfs mensenrechten.

Schuldgevoel is een slechte raadgever. Van een soort ‘Wiedergutmachung’ voor goedwillende, linkse mensen is ontwikkelingshulp een rechts instrument geworden, dat de armen in de rijke wereld dwingt om flink te betalen aan de rijken in de arme wereld, zoals de Engelse econoom Lord Bauer het kernachtig samenvatte.

Inmiddels gaat het allang niet meer om een paar gulden per persoon per jaar, maar om tientallen euro’s. Als onze zorgverzekering of energierekening met dat bedrag stijgt, is de wereld te klein. En Lord Bauer had gelijk, want een paar tientjes extra belasting heeft een veel dramatischer effect op het vrij besteedbare inkomen van onze minima dan op dat van andere inkomensgroepen.

Het is overigens te eenvoudig om het schrappen van de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking in zijn geheel als besparingen op te voeren, zoals een aantal rechtse politieke partijen bepleit. Inmiddels is een steeds groter deel van de ontwikkelingsuitgaven veranderd in noodhulp voor de allerarmsten en die hulp moet blijven. Maar noem dat dan ook zo. Dat is eerlijker voor de gevers en de ontvangers en dan kunnen we ons de Haagse overhead van een ministerspost en een directoraat-generaal besparen. Het bestaande netwerk van diplomatieke vertegenwoordigingen en hulporganisaties is mans genoeg om aan te geven waar onze noodhulp het hardst nodig is.

Ontwikkelingssamenwerking heeft trouwens allang niet meer ten doel om de economische groei op gang te brengen. Door onze hulp op de allerarmsten te richten, en niet op de ondernemers en de middenklasse, komt daar weinig meer van terecht. Zo trek je geen internationale investeringen aan. Bovendien moeten we ons maar verzoenen met de gedachte dat enkele dunbevolkte, afgelegen en onvruchtbare gebieden met een ongunstig klimaat zoals de Sahel altijd arm zullen blijven. Zelfs de meest verstokte wereldverbeteraars lijken dat te gaan beseffen.

Gelukkig kunnen we over de ontwikkeling van enkele Aziatische tijgers optimistisch zijn, hoewel onduidelijk is hoeveel onze hulp daaraan heeft bijgedragen. Die duidelijkheid bestaat wel in Afrika, want daar heeft de ontwikkelingssamenwerking in ieder geval geen duurzame groei gebracht. De experts zijn ten einde raad en sommigen pleiten zelfs voor een nieuw kolonialisme, want meer dan wat verbeteringen in infrastructuur, gezondheidszorg, basisonderwijs en drinkwatervoorziening hebben onze gaven niet bereikt. Zolang het internationale investeringskapitaal Afrika mijdt, ontstaan er daar geen economische tijgers. Dat kunnen geen honderd ministers van Ontwikkelingssamenwerking veranderen.

Piet Emmer is bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie, Universiteit Leiden.