Smachten naar iets zuurs

De Nederlandse Opera brengt voor het eerst sinds 28 jaar Wagners opera ‘Tannhäuser’. De regie is van Nikolaus Lehnhoff: „Tannhäuser is een ridder, maar vooral een mens op zoek naar de zin van het leven.”

Niemand mag erin. Af is af, en tot die tijd blijft de zaal van het Muziektheater hermetisch gesloten. Regisseur Nikolaus Lehnhoff is daar streng in. „U bent dat anders gewend?” In zijn kleedkamer, aan de met kostuums volgehangen centrale gang van het Muziektheater, trekt Lehnhoff de wenkbrauwen op. „Curieus. Ik ben kunstenaar. Net als een kok weiger ik principieel kijkjes in mijn keuken toe te staan.”

Voor De Nederlandse Opera realiseerde Lehnhoff eerder succesvolle producties van Puccini’s Tosca en Turandot. Wagner deed hij in Amsterdam niet eerder. Toch betekent de nieuwe productie van Tannhäuser die vanavond in première gaat voor Lehnhoff geen debuut maar een afsluiting. „Ik heb alle Wagner-opera’s nu één keer geregisseerd”, zegt hij. „Tannhäuser is bijzonder voor me, omdat dat ruim veertig jaar geleden de allereerste Wagner was waaraan ik als regisseur heb gewerkt, als assistent van Wieland Wagner aan de Bayreuther Festspiele. Nu is de cirkel rond. Zulke symboliek bevalt me.” Lehnhoff draait aan zijn pinkring. „Daar komt nog bij dat men dit jaar in Duitsland het achthonderdste geboortejaar van de heilige Elisabeth van Thüringen herdenkt, die aan het personage Elisabeth in Tannhäuser ten grondslag ligt. Ja, het is in alle opzichten een goed Tannhäuser-jaar.”

Wie de Tosca en de Turandot van Lehnhoff zag, herkent in Tannhäuser zijn signatuur. Het strakke toneelbeeld oogt met een grote wenteltrap gestileerd, de honderd man koor in bloedrode fluwelen mantels lichten er tijdloos mythisch in op. „Tannhäuser moet tijdloos zijn”, vindt Lehnhoff. „De middeleeuwse component van het verhaal interesseert me totaal niet. Tannhäuser is een ridder, maar vooral een mens op zoek naar de zin van het leven. Hij vertegenwoordigt het zoekende, het Faustische in ons allemaal. Der ewig strebender Mensch, verscheurd tussen de onverenigbare werelden van zinnelijkheid en ascese. Een dwaler, iemand die geen rust en geen thuis vindt. En voor mij daarom het prototype van de eigentijdse mens.”

In de Beurs van Berlage

druppelen de eerste musici van het Nederlands Philharmonisch Orkest binnen voor een avondrepetitie. Hartmut Haenchen was hun chef-dirigent tussen 1986 en 2002 en tot 1999 was hij óók de chef van De Nederlandse Opera. Hij keerde daarna nog wel als gast terug voor verschillende producties, waaronder de reprise van de internationaal bejubelde enscenering van Wagners operavierluik Der Ring des Nibelungen in 2005. Maar Tannhäuser wordt voorlopig Haenchens laatste productie in Amsterdam. Dat Tannhäuser niet Wagners beste opera is, het zij zo. „Wagner sleutelde dertig jaar aan deze opera, maar totale tevredenheid bereikte hij niet”, vat Haenchen samen. „Kort voor zijn dood zei hij: ‘Ik ben de wereld nog een Tannhäuser schuldig.’ Ik denk dan besmuikt: die heeft hij met Die Meistersinger von Nürnberg, over een verwant thema, geschreven. In Tannhäuser is Wagner zijn taal nog aan het zoeken. Losse nummers, een beetje Weber, een beetje Beethoven.”

In totaal bestaan er van Tannhäuser negen verschillende versies. In Amsterdam klinkt deze maand de Weense versie uit 1875 en niet – zoals gebruikelijk – een van de vroegere varianten. Haenchen bladert in zijn dirigentenkamer door twee dikke partituren. „Dit is een Tannhäuser-uitgave met een Dresden-versie (1845) en een Parijse versie (1861) naast elkaar. Die heb ik gebruikt voor mijn eerste vier Tannhäuser-producties.” Ernaast ligt de partituur van de Weense versie, met de balletmuziek voor Parijs. Haenchen: „Dit is Wagners eigen laatste versie; mijn keuze ligt dus voor de hand. Alleen was het tot nu toe onmogelijk de Weense Tannhäuser te dirigeren. Er was geen partituur van.” Dankzij de Neue Wagner Ausgabe is die er nu wel – maar in een onbruikbare wetenschappelijke editie, waarin twee versies naast elkaar zijn afgedrukt. „Gelukkig heb ik de uitgever kunnen overhalen speciaal voor ons ook alleen de Weense af te drukken.” Om de uitgave ook praktisch ‘speelklaar’ te maken, moesten er nog wel fouten uit worden gehaald. ,,Honderden. Duizenden, misschien wel. Ik ben er twee jaar mee bezig geweest. Maar na Amsterdam wordt dit de gebruikelijke Tannhäuser, daar ben ik van overtuigd. Het is de volledigste en de overtuigendste versie. Waar de orkestklank te droog was, heeft Wagner die ingekleurd.” In deze versie eist Tannhäuser ook de grootste bezetting van alle Wagner-opera’s, vult Haenchen aan. „Honderd man koor, honderdvijftig musici.” Past dat in de bak? Hij lacht. „Absoluut niet. Er staat ook een compleet blazersorkest op de bühne.”

Het libretto van Tannhäuser und der Sängerkrieg auf Wartburg is een mix van middeleeuwse sagen. Wagner baseerde zijn libretto op verschillende bronnen, waaronder het Deutschen Sagenbuch van Ludwig Bechstein. In Tannhäuser is de geschiedenis van de ridder/minnezanger Tannhäuser die geen rust vindt in Venus’ armen verbonden met het verhaal over een zangerswedstrijd op de Wartburg. Zo werd Tannhäuser een opera over god, ascese en creativiteit versus de duivel, zinnelijkheid, genotzuchtige stilstand.

Regisseur Nikolaus Lehnhoff stemde in met Haenchens keuze voor de Weense versie om de verdieping van het Venus-personage die deze versie inhoudelijk kenmerkt, vertelt hij. Venus is er geen onafhankelijke, trotse liefdesgodin, maar een vrouw van vlees en bloed, die Tannhäuser in een lange scène smeekt haar niet te verlaten. „Als oermoeder van de erotiek maakt ze in die scène een cruciale verandering door”, zegt Lehnhoff. „Venus is als een slang die haar goddelijke vel verliest, waarna de menselijke kwetsbaarheid eronder tevoorschijn komt. En dan wordt Wagner pure Strindberg; een strijd tussen de seksen.”

Hartmut Haenchen: „Tannhäuser krijgt de eerste twintig minuten van de opera zoveel zoets voor zijn kiezen dat hij smacht naar iets zuurs. Proeft hij in de strenge, gesloten wereld van de Wartburg het zure eenmaal, verlangt hij terug naar het zoete. Ja, zo werkt het natuurlijk niet. Tannhäuser is het archetype van de kunstenaar die de regels wil breken.”

Nog interessanter wordt het als Tannhäuser Venus zijn reden van vertrek opgeeft. Regisseur Lehnhoff veert op. „’Zum Tode drängt es mich!’ zingt hij daar. Dat is de ware grondtoon van de opera; het verlangen naar verlossing. Tannhäuser verzet zich tegen de scheiding tussen het geestelijke en het zinnelijke. Hij houdt een pleidooi voor erotische en politieke vrijheid, maar weigert compromissen te sluiten en loopt tot bloedens toe tegen grenzen en muren van de maatschappij op.”

Haenchen: „Het streven naar een utopische samenleving was voor Wagner in 1840 een dringende thematiek. Hij was voorstander van de revolutie en heeft zelfs geprobeerd zijn orkestmusici warm te maken voor de barricaden. Uiteindelijk moest hij vluchten, en mocht hij niet meer naar Saksen terugkeren. De opera in Dresden kreeg zijn aanpassingen aan Tannhäuser per brief.”

Haenchen heeft ze allemaal gelezen, vertelt hij. „Uiteraard. Ze zijn een belangrijke ideeënbron voor mij als uitvoerende. En ze geven een goed beeld van de vrijheid waarmee Wagner met zijn muziek omsprong. Als een zanger een lijn niet kon zingen, veranderde hij de noten. Als hij een bepaalde musicus niet mocht, kreeg die geen solo.” Haenchen voelt zich dan ook vrij om in Wagners geest los met de partituur om te springen, zegt hij. „Nou ja, ‘los’. Het gaat om een soort authentieke vrijheid. De titelrol in deze productie wordt bij voorbeeld afwisselend gezongen door twee totaal verschillende tenoren. Die zal ik dus ook totaal verschillend begeleiden; andere adempauzes, andere tempi. En als ik Wagner naar de letter zou nemen, zou ik bij voorbeeld moderne ventielhoorns naast oude natuurhoorns moeten laten spelen. Maar de enige reden dat er natuurhoorns in de partituur staan, is omdat er onvoldoende moderne instrumenten beschikbaar waren. Dan voel ik me niet beschroomd om die wél te gebruiken.”

In de derde akte

zoekt Tannhäuser vergiffenis voor zijn zonden op de Venusberg. Zijn pelgrimage naar Rome blijft echter vruchteloos; voor de Paus kan alleen de dood Tannhäuser verlossen. Haenchen: „Wagner is daar vrij direct in zijn kritiek op de kerk. Alleen een dode Tannhäuser is een goede Tannhäuser. Dat is niet mals.”

„Het is Elisabeth die Tannhäuser door het geven van haar eigen leven verlost”, zegt regisseur Lehnhoff. „Vergelijkbare situaties zie je bij Senta in Der Fliegende Hollander en Kundry in Parsifal. Dat is waar het bij Wagner om gaat. De offerbereidheid van de vrouw maakt het de man mogelijk tot rust te komen. Zoals Goethe het formuleert in het tweede deel van zijn Faust: ‘Das Ewig-Weibliche zieht uns hinan’. Maar meer nog trof me die essentie in een geniale Engelse Faust-vertaling die ik ooit tegenkwam: ‘The woman in all of us, leads us the way.’ Het vrouwelijke beginsel, moet ons redden. In Der Ring des Nibelungen gooit Brunnhilde de verdoemde ring weg. In mijn regie van Parsifal heb ik Kundry laten leven, als belichaming van de hoop op een betere wereld. We maken theater om de vinger op de wonde te leggen en hoop – als die er is – zichtbaar te maken.” Lehnhoff lacht hardop. „En nu maar hopen dat je dat ook allemaal terugziet op het podium.”

Haenchen: „Ik ben blij dat Lehnhoff speelruimte laat voor de fantasie. Zijn Tannhäuser is tijdloos – niet vast te pinnen op een herkenbare tijd en plaats. Zoals dat moet bij een meesterwerk.” Dus toch een meesterwerk? „Voor mij wel. Misschien juist doordat de opera muzikaal en inhoudelijk zo in tweeën uitéén valt. De Wartburg-muziek klinkt streng en droog en deugt net zo min als de samenleving die ermee wordt aangeduid. En de Venusbergmuziek van rond 1875 is kleurig, zwoel, geraffineerd. Passend bij de zinnelijkheid van die wereld.”

‘Tannhäuser’ door De Nederlandse Opera o.l.v. Harmut Haenchen, 2 t/m 26 feb. in het Muziektheater, Amsterdam. Inl.: www.dno.nl