Slecht op de hoogte

De polemiek tussen de Mondriaan Stichting en de directeuren van grote musea ontbeert diepgang. Musea nemen niet de moeite het beleidsplan te lezen.

Hendrik Driessen (De Pont) Hendrik Driessen FOTO: Rien Zilvold Zilvold, Rien

Mag de Mondriaan Stichting zich inhoudelijke bemoeien met het beleid van kunstinstellingen? En is het dan niet eigenlijk de overheid die zich via de Mondriaan Stichting in de kunst mengt? De grote kunstmusea openden een paar maanden geleden de aanval op de Mondriaan Stichting. Sindsdien is het oorlog in de Nederlandse kunstwereld.

De nieuwjaarstoespraken van Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, en Gijs van Tuyl, directeur van het Stedelijk Museum, maakten duidelijk hoe groot de waterscheiding tussen de partijen is. Luiten verweet de musea een gebrek aan profilering en riep hen op zich te bezinnen op hun maatschappelijke rol en op de relevantie van de kunst. Van Tuyl verdedigde op zijn beurt de autonomie van kunst en museum. Hij zei dat de subsidiëring door de rijksoverheid van musea, uitgevoerd door organisaties als de Mondriaan Stichting, bedoeld lijkt om kunst voor steeds wisselende cultuurpolitieke karretjes te spannen.

De verdediging van Van Tuyl komt niet uit de lucht vallen. De invloed van de politiek op het cultuurbeleid is in de laatste jaren toegenomen, constateerde de Raad voor Cultuur kritisch.

In haar beleidsplan voor de periode 2005-2008 stelde Luiten beleidsveranderingen voor, mede ingegeven door de voorkeuren van de staatssecretaris. Luiten: „We zijn afhankelijk van de politiek doordat de staatssecretaris het bestuur benoemt, het beleidsplan goedkeurt, en het budget beschikbaar stelt. We worden gemonitord door de Raad en het ministerie. Dat we politieker zijn geworden klopt: de eisen en de controle van de overheid nemen alsmaar toe.”

De prioriteiten vallen niet altijd samen. Op de vraag of hierover soms spanning is tussen de Mondriaan Stichting en de politiek, antwoordt Luiten: “Ja, absoluut.”

De staatssecretaris blijft buiten schot, omdat zij nooit openlijk stelt dat ze de fondsen inzet als beleidsinstrument. Niet alleen Luiten, ook voormalig staatssecretaris voor Cultuur, Medy van der Laan, zou zich moeten verantwoorden voor de gewraakte ‘Stimuleringsprijs voor culturele diversiteit’ van een half miljoen euro, die de Mondriaan Stichting vorige jaar uitschreef.

Autonomie versus

maatschappelijke relevantie: het is een simplificering van standpunten in een polemiek waaraan tot dusverre elke diepgang ontbreekt. Aanleiding tot het conflict was de boze brief die museumdirecteuren van een aantal grote musea, verenigd in het zogenaamde ‘mini-convent’ (Gemeentemuseum Den Haag, Museum Boijmans, Kröller-Müller Museum, Groninger Museum, Museum De Pont, Centraal Museum, Stedelijk Museum) schreven aan de Mondriaan Stichting. Zij verweten de Mondriaan Stichting gebrek aan transparantie en een vérgaande inhoudelijke bemoeienis met hun beleid.

Volgens velen, onder wie Luiten en een groot aantal jongere conservatoren, gaat het hier om een generatieconflict. De grote musea zouden verstarde hiërarchische organisaties zijn. En hun beleid zou gebaseerd zijn op een achterhaald perspectief, dat de kunst beziet vanuit de geschiedenis van het westers modernisme. Dat vindt ook Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum. „Wij zijn geïnteresseerd in de wereld van na 1989, de wereld van globalisering. Is het het doel van het museum om de oude wegen van het modernisme te bewandelen, of is het een instelling van de wereld van nu? Gelijkheid en emancipatie, dát zijn onderwerpen van nu.” Dit betekent voor Esche dat het museum er niet alleen is voor westerse maar ook voor niet-westerse kunst, en dat het museum thematentoonstellingen en debatten organiseert over maatschappelijke vraagstukken.

Volgens de boze directeuren is er helemaal geen generatieconflict. Wim van Krimpen (Haags Gemeentemuseum) „voelt zich met zijn grijze haren jonger dan veel van die zogenaamde jonge honden”. Het gaat erom dat de directeuren vinden dat het niet goed gaat met de Mondriaan Stichting. Voor het eerst in hun geschiedenis zijn de musea van het miniconvent het met elkaar eens, het conflict heeft tot grote verbroedering geleid. De twee partijen hebben vorige week met elkaar om de tafel gezeten. Er is afgesproken om het „een constructief gesprek” te noemen, maar zowel de directeuren als Luiten laten doorklinken dat het gesprek, zacht uitgedrukt, weinig heeft opgeleverd.

„De Mondriaan Stichting is, in tegenstelling tot de meeste andere fondsen, een stimuleringsfonds. Zo is het ook in 1994 opgericht”, zegt Luiten. „Het aspect van het stimuleren is gaandeweg duidelijker geworden. Wij lopen soms op de troepen vooruit, omdat wij veel kennis in huis hebben. Wij krijgen al die aanvragen onder ogen en zijn daarom goed op de hoogte van wat er in het veld gaande is.”

Sinds 2005 worden alleen nog maar projecten gesubsidieerd die buiten de reguliere taak van een instelling vallen. Het is de taak van een museum om tentoonstellingen te organiseren, dus daar kan geen subsidie meer voor worden aangevraagd, maar bijvoorbeeld wel voor een project elders in de stad dat bijdraagt aan het vergroten van het publieksbereik. De veranderingen zijn beschreven in het beleidsplan 2005-2008. Daar staat dat ze tot doel hebben om meer ruimte te scheppen voor de ontwikkeling van beeldende kunst en vormgeving, en meer ruimte voor de aanvrager.

Bij een rondgang door de

kunstwereld blijkt snel dat het anders wordt ervaren. Er is veel ergernis en onduidelijkheid over de toepassing van de regelingen, en groot wantrouwen over het functioneren van de commissies. Die zouden te veel worden aangestuurd door medewerkers van de Mondriaan Stichting, of zelfs door Luiten in eigen persoon. Iedereen heeft een mening over de Mondriaan Stichting en wil die graag kwijt, maar meestal anoniem en zonder concrete voorbeelden. Daarbij valt op dat men slecht op de hoogte is van de nieuwe regelingen, en dat de beleidsnota en jaarverslagen die aan alle instellingen worden toegezonden zelden worden gelezen.

Kampioenaanvrager was ooit Sjarel Ex, destijds directeur van het Centraal Museum, samen met zijn naaste medewerker Ranti Tjan. Dit duo wist 70 tot 80 procent van de ingediende aanvragen (tot tien per jaar) binnen te halen, op allerlei gebied, zoals mode, vormgeving en educatie. De conservatoren van het Centraal Museum waren nauw betrokken bij het schrijven van de aanvragen. Ex vertrok een paar jaar geleden als directeur naar Boijmans, en niet lang daarna werd Tjan directeur van Museum Gouda. Sindsdien wil het met de aanvragen van Ex en Tjan niet meer vlotten. Beiden zijn hierover zeer verbolgen.

Bij Tjan zijn zes van zeven aanvragen voor projecten afgewezen, zonder dat hem duidelijk is waarom. En Ex ontvangt weliswaar, net als het Van Abbe, voor aankopen structureel 125.000 euro per jaar, maar daarvan mag hij, zegt hij, van de Mondriaan Stichting geen modernisten aanschaffen omdat die niet zouden passen in de collectie. Voor de programmering van tentoonstellingen kreeg Ex aanvankelijk „vijf keer nul op het rekest”. Dat betekende een verlies van 300.000 euro, de helft van het programmeringsbudget. Maar later kwam de Mondriaan Stichting over de brug met 150.000 euro, uit een ander potje.

Tjan en Ex zijn kennelijk

niet op de hoogte van de nieuwe regel dat het maken van tentoonstellingen behoort tot het reguliere beleid van het museum en daarom niet langer voor subsidie in aanmerking komt. Ook van andere wijzigingen in het beleid van de Mondriaan Stichting is men slecht op de hoogte. Zo wijst Ex op een artikel in het blad BK Informatie (tijdschrift voor beeldende kunstenaars) van september 2006, waarin het nieuwe beleid is samengevat. Er staat dat vanaf 2008 culturele diversiteit binnen gevestigde instellingen zeker 15 procent van de reguliere begroting moet uitmaken. Ex windt zich hierover op: het gaat toch veel te ver dat de Mondriaan Stichting zoiets van musea mag eisen? Dat is dan ook niet het geval: het artikel blijkt een slordige samenvatting te zijn. De nieuwe regel staat duidelijk verwoord in het jaarverslag van 2005: de Mondriaan Stichting reserveert vanaf 2008 15 procent van de eigen begroting voor culturele diversiteit. Ex leest dus wel wat een tijdschrift meldt over het beleid, maar niet jaarverslag van de Mondriaan Sitchting zelf.

Ook de financiële schade valt in feite voor Ex uiteindelijk nogal mee. Het werkelijke probleem is voor Ex, net als voor de andere boze directeuren, dat de Mondriaan Stichting zich speelruimte heeft toegeëigend en zich bemoeit met het museumbeleid. Dorothée Cannegieter van Rijksmuseum Twente is dat met hen eens. Zij krijgt „een rood waas voor ogen” als zij denkt aan de Mondriaan Stichting. Sinds 1999 zijn van de acht aanvragen die zij indiende er twee toegekend. Het ontbreekt haar museum, volgens de Mondriaan Stichting, aan visie. Ook is de ondergrens van 45.000 euro als eigen aankoopbudget voor haar te hoog. Cannegieter is met aanvragen gestopt. Zij heeft besloten dat de Mondriaan Stichting er niet voor haar museum is, alleen voor de grote musea. Luiten ontkent dit: de Mondriaan Stichting is er juist ook voor kleinere instellingen.

Geen van deze directeuren heeft bezwaar aangetekend tegen de afwijzingen. Ook heeft geen van hen Luiten gebeld voor overleg. Op de vraag waarom niet, komt als antwoord dat bezwaar aantekenen weer tijd kost terwijl het indienen van aanvragen al zeer arbeidsintensief is, en dat men er geen vertrouwen in heeft dat het zin heeft om bezwaar aan te tekenen. Het totale aantal bezwaren (ze worden behandeld door het bestuur) is gering, in 2006 2,7 procent van het totale aantal aanvragen. De Mondriaan Stichting, die iedere twee jaar een onderzoek laat doen naar klanttevredenheid, krijgt weinig directe kritiek te horen.

Evenmin overleggen de instellingen onderling over deze kwesties. Er is niet alleen wantrouwen jegens de Mondriaan Stichting maar ook jegens elkaar. Er bestaat vrijwel geen samenwerking tussen instellingen. De Nederlandse kunstwereld is zó klein, de belangen zijn zó verstrengeld, zo luidt een vaak gehoorde klacht, dat iedere concurrent beschouwd wordt als een potentiële vijand. Er is één grote uitzondering: de volkenkundige musea. Zij hebben een deel van hun eigen aankoopbudget in een gemeenschappelijk fonds gestort bij de Mondriaan Stichting, die het bedrag heeft verdubbeld. De volkenkundige musea overleggen eerst onderling voordat ze een aanvraag doen uit dit fonds. Dit systeem werkt naar volle tevredenheid van de betrokken partijen.

Er zijn ook positieve geluiden, vooral van kleinere instellingen en kunstenaarsinitiatieven. En mensen die in commissies zitten of hebben gezeten wijzen de suggestie dat commissies aangestuurd worden door het bureau resoluut van de hand. Arno van Roosmalen, directeur van Stroom in Den Haag, doet het af als complotdenken. In de commissies is juist veel ruimte voor goede discussie, zegt hij, en er wordt veel aandacht besteed aan het zorgvuldig formuleren van afwijzingsbrieven. Macha Roesink, directeur van Museum de Paviljoens in Almere, denkt er net zo over. Zij is „heel positief over de Mondriaan Stichting”, en zegt: „Iedereen die in een commissie plaatsneemt heeft een beroepseer, en wil het beste voor de Nederlandse kunst. De commissies zijn beslist niet homogeen”. In de commissies zitten deskundigen uit allerlei lagen van de kunstwereld: kunsthistorici, kunstenaars, directeuren van instellingen, conservatoren, ex-museumdirecteuren.

Tegenover het verwijt

van de grote musea dat de Mondriaan Stichting zich zich onrechtmatig met hun beleid bemoeit, stelt Luiten dat dit juist is waarvoor de stichting, als stimuleringsfonds, is opgericht. Luiten: „De musea hebben een enorme zelfstandigheid, de cultuurnota is voor instellingen een zeer comfortabel subsidiesysteem. Er is voor hen weinig noodzaak om zich publiek te verantwoorden voor de manier waarop ze met gemeenschapsgelden omgaan. De directeuren worden intern niet veel bijgestuurd of bekritiseerd, en doorgaans ook niet door hun raad van toezicht.”

Een ander punt in het conflict is de activiteit die Luiten ontplooit op het gebied van de culturele diversiteit. Ook organiseert de Mondriaan Stichting sinds 2004 in samenwerking met het Prins Claus Fonds oriëntatiereizen naar niet-westerse landen, om de internationalisering te bevorderen. Bij de instellingen bestaat de indruk dat de Mondriaan Stichting er op uit is om kunst voor een bepaalde maatschappijvisie in te zetten. Die indruk is juist en Luiten geeft het ook toe. Overigens hebben met name kleinere instellingen (zoals De Appel, De Paviljoens, Het Domein) hier geen bezwaren tegen. De Mondriaan Stichting moet meer zijn dan een doorgeefluik, vinden ze, en bovendien: je hoeft toch geen subsidie aan te vragen?

Velen, niet alleen museumdirecteuren, menen dat de Mondriaan Stichting door dit soort activiteiten een januskop geworden is, een hybride instelling waarvan het niet duidelijk is waar de loyaliteit ligt: bij de politiek of bij het veld. Luiten: „Bij OCW behartigen wij de belangen van het veld, en bij het veld behartigen wij de belangen van de politiek.”

Voor veel kunstinstellingen is de grens aan de politieke bemoeienis bereikt. Politieke beleid moet in samenwerking met de kunstwereld worden bepaald, en een breed, openbaar debat is dringend noodzakelijk.