Paard, kameel of dode papegaai

Het leek erger dan het was. Europa zonder Nederland! Alsof we er al niet meer toe deden en nu alleen nog het nakijken hadden.

Maar zo dramatisch was het niet, het beraad in Madrid van de achttien lidstaten van de Europese Unie die het grondwettelijk verdrag hebben geratificeerd – plus twee sympathisanten die het van plan zijn. De ‘Vrienden van de Grondwet’, zoals ze zich noemen, daar kun je Nederland na het referendum van 2005 moeilijk nog toe rekenen. En dus werd er vorige week in Madrid over de toekomst van Europa gesproken zonder het land van Balkenende, Bot en ‘best wel belangrijk’.

Het was begrijpelijk, en bovendien eigen schuld. Maar het stak toch ook een beetje. En het veroorzaakte achter de dijken hier en daar wel wat nervositeit. Raken we in Europa niet in hoog tempo gemarginaliseerd? Belanden we niet in een isolement?

In Frankrijk – dat ook ‘nee’ heeft gezegd tegen de Grondwet en dat er in Madrid dus evenmin bij was – hield men het hoofd koel. Zonder Frankrijk zal Europa niets voor elkaar krijgen, was de zelfverzekerde eerste zin van een commentaar in Le Figaro. Zonder de instemming van de Franse kiezer is het grondwettelijk verdrag dood en zal er iets anders op tafel moeten komen. Als de Franse presidentsverkiezingen eenmaal achter de rug zijn, komt Europa ook deze impasse heus wel weer te boven, was de strekking.

In elk geval wordt daaraan hard gewerkt door Duitsland (dit half jaar voorzitter van de Europese Unie), dat met stille diplomatie naar een nieuwe consensus zoekt. En in Frankrijk wordt het electoraat ervan doordrongen dat nee-zeggen alléén niet voldoende is. Op rechts pleit Nicolas Sarkozy ervoor om de afgestemde grondwet te vervangen door een miniverdrag. Zijn linkse rivaal Ségolène Royal wil de grondwet socialer maken. Maar beiden bereiden de bevolking in elk geval voor op de onontkoombaarheid van een nieuw grondwettelijk verdrag.

Zelfs in Madrid werd een opening geboden. De groep bleek niet een blok van compromisloze grondwetadepten te zijn, die louter hun liefde beleden aan het afgestemde document. Er waren onderlinge meningsverschillen over de vraag: hoe nu verder? Een geplande tweede bijeenkomst werd afgeblazen om de tegenstellingen in de Unie niet op de spits te drijven en het Duitse zoeken naar een uitweg niet verder te hinderen. En er werden zowaar aanpassingen geopperd. „De grondwet is een kameel, en we zullen een paard nodig hebben”, zei de vertegenwoordiger van Letland.

Als Nederland in de Grondwet een dier ziet, dan hoogstens de dode papegaai uit de legendarische sketch van Monty Python (Klant: I’ll tell you what’s wrong with it: he’s dead! Verkoper: No no, he’s not dead, he’s resting. Remarkable bird, beautiful plumage!). Morsdood, en wie dat niet ziet (There, he moved!) houdt zichzelf alleen maar voor de gek.

Maar wie denkt dat daarmee de kous af is, houdt zichzelf óók voor de gek. Er wordt van ons verwacht dat we eens aangeven wat we wél willen, zei oud-minister Brinkhorst deze week.

Of dat veel invloed zal hebben op de aanpassingen van het grondwettelijk verdrag waarover nu in Europese hoofdsteden wordt gesproken, valt te betwijfelen. Nederland kan zich nu eenmaal niet de zelfverzekerdheid veroorloven van een groot land als Frankrijk. Officieel moeten alle lidstaten een nieuw verdrag ratificeren voor het van kracht kan worden. Maar is er iemand die werkelijk gelooft dat Europa zonder Nederland, in de woorden van Le Figaro, „niets voor elkaar zal krijgen”?

Wat er nu in Madrid, Parijs en Berlijn wordt besproken over de ‘Europese Grondwet 2.0’ is belangrijk. Maar voor Nederland komt het er vooral op aan wat er dezer dagen in Den Haag over wordt gezegd – en de komende weken en maanden in de rest van het land. Want ook als de Europese hoofdrolspelers niet zitten te springen om een antwoord op de vraag wat nee-stemmer Nederland wél wil, voor onszelf is het urgent om die vraag te bespreken en te beantwoorden. En als de schrik over Madrid dat besef heeft bevorderd, des te beter.

De humeurigheid van de Nederlandse kiezer, die bij de verkiezingen van november opnieuw een grote rol speelde, is breed – breder dan alleen de onvrede over Europa. Maar het is geen natuurverschijnsel waarvan je alleen maar kunt hopen dat het weer over gaat. Dat bleek wel in maart, bij de gemeenteraadsverkiezingen. Partijen die vier jaar eerder tijdens de opkomst van Fortuyn en de Leefbaren harde klappen hadden gekregen, met name de PvdA, waren er met hard werk in geslaagd de kiezers weer van hun visie en hun doelstellingen te overtuigen. Niet alleen door slimme pr of andere trucs, maar door politici die niet bang waren risico’s te nemen, te luisteren naar de kiezers, maar ook af en toe in te gaan tegen de heersende stemming.

Wie gaat Nederland straks vertellen dat we toch écht een nieuw Europees verdrag nodig hebben – of je het nou Grondwet noemt of niet? Minister Bot heeft dat al gedaan. En hij heeft ook al aangegeven hoe zo’n nieuwe versie eruit zou kunnen zien: danig afgeslankt, zonder verwijzingen naar vlag en volkslied, en zonder de beladen titel ‘Grondwet’. Het is alleen nauwelijks opgevallen.

Als het nieuwe kabinet wil voorkomen dat Nederland straks echt buitenspel komt te staan, dan zal het hele team de boer op moeten met de boodschap dat we niet zonder Europa kunnen. Dan moeten bewindslieden er het debat over aangaan, hun nek ervoor uitsteken, hun lot eraan verbinden. Dan moeten ze hun bondgenoten in de samenleving mobiliseren en de sceptici tegemoet treden – met begrip voor hun weerstand, maar met argumenten om hen te overtuigen.

Daarvoor zijn zeker niet alleen Europeanen in hart en nieren geschikt. Een minister of staatssecretaris die niet zozeer Europa maar eerder Nederland goed kent, die oog heeft voor de schaduwkanten van de Europese Unie en die in 2005 misschien zelfs wel heeft tegengestemd, die kan waarschijnlijk meer voor elkaar krijgen dan iemand die blind de weg weet in Brussel.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad.