Op weg naar de Ararat

In zijn nieuwe boek Ararat zoekt Frank Westerman naar de God van zijn kinderbijbel, wat uitmondt in de beklimming van de Ararat in Turkije, waarop ooit de ark van Noach zou zijn vastgelopen. Een voorpublicatie uit het hoofdstuk ‘Het woord’, met Kars, de stad uit Orhan Pamuks roman Sneeuw als decor.

Opnamen via een webcam in Jerevan, de Armeense hoofdstad, gericht op de berg Ararat, genomen over een langere periode www.arminco.com/livewebcam.html www.arminco.com/livewebcam.html

Eenmaal op reis, met gewichten van meer dan een kilo aan elke voet, werd ik driemaal op rij als een verdacht persoon apart genomen. In Amsterdam en Ankara, en nog eens op de luchthaven van Kars in Oost-Turkije. Ik gaf mijn geld af, mijn horloge, mobiele telefoon, riem. Maar de detectiepoortjes bleven op rood springen totdat de douaniers mij geboden mijn schoenen uit te trekken en die apart op de röntgenband te zetten.

Mijn bergschoenen schoven in beeld en werden dan met een druk op de knop stilgezet. Er zaten achtentwintig metalen gespen op, veertien per schoen.

Ik liep Anatolië binnen op kousenvoeten. ‘Welcome, bienvenue, willkommen, benvenuto, welkom’, las ik op een met Europese sterren versierd plakkaat. Kars lag hemelsbreed op honderdtwintig kilometer van de Ararat. Ik stak mijn voeten in de stijve schachten van mijn schoenen, nam mijn rugzak en rolkoffer in ontvangst en kloste met losse veters naar de taxistandplaats.

Het was raar om in de middaghitte, staande op halfzacht asfalt, een last te dragen die was toegesneden op poolcondities. Ik verzond een sms’je (GLND IN K. SAFE&WELL) en stapte in een uitgewoonde Mercedes die geurde naar taxiparfum.

Op de weg van het vliegveld naar de binnenstad van Kars stonden motoragenten in leren pakken het verkeer te regelen. Te midden van een landschap van glooiende stoppelvelden was een ongeluk gebeurd met een vrachtwagen met aanhanger, die dwars over de weg stond, geschaard. Ik zag vlezige rode sterren op het asfalt en iemand die bezig was ze met een sneeuwschuif in de berm te vegen. Toen de taxi voorbijreed, zag ik dat de laadbak was gevuld met watermeloenen; ze moesten als kegelballen van onder het zeil zijn gerold en op het wegdek uiteengespat.

Mijn telefoon trilde. FIJN! V VRGT: ZIE JE AL SNEEUW?

Het heuvellandschap rondom was stenig en boomloos, met de matte glans van kwik. NEE. VOOR V: ‘SNEEUW’ I H TURKS IS KAR. XX PAPA.

Sinds de zomer was Vera bezig met woordjes als yes en sí en da en überhaupt het bestaan van verschillende talen.

„Ihre Frau?” vroeg de taxichauffeur.

„Ja”, zei ik, terwijl ik mijn gsm met een holle rug in mijn broekzak terugschoof. „Of eigenlijk, mijn twee vrouwen.”

Door zijn hoofd even heen en weer te wiegen en een wenkbrauw op te trekken, sprak hij zijn woordeloze waardering uit. Dat doorbrak de geladen sfeer die tussen ons was ontstaan. Net voor de verkeersopstopping had mijn chauffeur aangekondigd dat hij me niet naar het door mij opgegeven adres wilde brengen. In een Duits vocabulaire van hooguit honderd woorden probeerde hij me over te halen om naar een hotel te gaan. Hotel Karabag was bijvoorbeeld sehr gut.

Ik wilde naar het dolmus-station.

We reden de stad binnen langs een vuilnisbelt en een steenhouwerij gespecialiseerd in grafstenen. Mijn chauffeur bleef erop hameren dat ik de nacht in Kars zou doorbrengen.

Ik zei dat ik al een hotel had, in Dogubayazit. Auch sehr gut.

De man naast mij keek gepijnigd van me weg, op het theatrale af. Kennelijk kon hij het niet verdragen dat een bezoeker die van ver kwam, geen oog had voor zijn stad, of wat het ook was.

Uiteindelijk stuurde hij zijn taxi over een spoorwegemplacement naar een pleintje waar de meeste dolmus-operators hun kantoortje hadden. In plakletters op de ruiten stonden de bestemmingen geafficheerd, inclusief de prijzen. Mijn chauffeur liep mee naar binnen bij de enige aanbieder van ‘DOGUBAYAZIT’ en bestelde demonstratief een ticket voor me, waarop hij zich al even demonstratief naar mij toe draaide met de mededeling dat de laatste dolmus van vandaag al rond het middaguur was vertrokken. „Habe ich doch gesagt”, zei hij met een lichte kniebuiging en handen als kommetjes. In zijn toon lag meer pleidooi dan triomf.

Ineens begon het me te dagen dat ik hoe dan ook in Kars zou moeten overnachten, omdat ik toch niet meer weg zou komen. Ik gaf me gewonnen; we klopten elkaar op de schouder.

Mijn chauffeur stelde zich voor als Celil, wat je moest uitspreken als Dzjeliel. Voor we verder reden naar HOTEL * * * KARABAG, zette hij zijn taximeter af.

Nu ik toch aan Kars zat gekluisterd, begon

ik mijn ongebruikelijke entree als een welkomstgeschenk te beschouwen. Het misverstand tussen Celil en mij, de niet-begrijpende westerling, kon zo uit een boek zijn geknipt van Orhan Pamuk, die zijn protagonisten graag door de dubbele bodems van het diepe Turkije liet zakken.

Zodra ik op mijn raamloze hotelkamer mijn bergschoenen had verwisseld voor lichter schoeisel, wilde ik het door Pamuk verbeelde Turkije buiten gaan opzoeken. Sneeuw, zijn meest recente roman, was nota bene geënt op het stratenplan van Kars. Door haar afgeleefdheid en boerse provincialisme was de stad zelf ook een soort romanfiguur. Ik besloot de straat op te gaan om de Turkse editie van Sneeuw (Kar) te kopen en de verkoper aan te spreken over de persoon Orhan Pamuk.

De receptionist aan de roodmarmeren balie betwijfelde of er in Kars een boekhandel was, dus ging ik lukraak op zoek. Ik passeerde koffiehuizen, internet- en biljartcafés, kebabtenten en opvallend veel kaaswinkels, die allemaal dezelfde bleke kazen verkochten. Tegenover de eerstehulpingang van een ziekenhuis werd ik belaagd door straatjochies met weegschalen onder hun arm, die je voor een handvol lira de waarheid over je gewicht vertelden.

Ik slenterde in het voetspoor van de dichter Ka, de hoofdpersoon van Sneeuw. Ka was twee jaar ouder dan ik, 42, een Turk die was verwesterd door zijn emigratie naar Frankfurt. Als ‘bijgelovige atheïst’ en nadrukkelijke buitenstaander (in zijn dure muisgrijze mantel) is Ka naar Kars gekomen om verslag te doen van een golf van zelfmoorden onder meisjes die weigerden op school hun hoofddoek af te leggen. Maar hij komt ook voor zijn jeugdliefde Ipek, van wie hij heeft gehoord dat ze is gescheiden en met haar vader en zus in Hotel Sneeuwzicht woont. Ka raakt, behalve ingesneeuwd, verstrikt in persoonlijke en politiek-religieuze intriges.

In recensies had ik gelezen dat Sneeuw een roman was over ‘de botsing tussen de islam en een opgelegd secularisme’, een hoogst politiek thema, maar in mijn bevooroordeelde lezershoofd draaide het toch allemaal om Ka’s zoektocht naar spiritualiteit. Ik had mijn adem ingehouden bij opmerkingen als deze: „Er zat iets van hovaardij in mijn ongelovigheid.”

Ka vindt in Kars zijn verloren religiositeit terug, zij het kortstondig. Het heeft te maken met de inspiratie die hij ervaart bij de negentien gedichten die hem invallen, en die zich laten rangschikken in de volmaakte vorm van een sneeuwkristal. Ik was verbaasd en gefascineerd door Ka’s ontluikende bereidheid te geloven in een God „die oog heeft voor de verborgen symmetrie van de wereld”. Maar waarom diezelfde God „de mensen beschaafder en verfijnder zal maken”, dat was voor mij niets anders dan een wensdroom, te naïef om in te geloven.

Nadat ik de straten in het stadshart

had afgewerkt, liep ik langs een kazernemuur richting een uitvalsweg. Op de hoek van een kruispunt lag de zaak van ÖZGÜN ÖDÜL, die zo te zien handelde in alles waar handel in zat. Achter in het pand, onder de speelgoedbeesten die van het plafond bungelden, zat een kalende winkelbediende aan een bureautje. De woorden Pamuk en Kar beantwoordde hij met yes en sure. Hij veerde op en bracht me een exemplaar met op de omslag driemaal dichter Ka in zijn lange jas, op de rug gezien.

Bij het afrekenen vroeg ik: „Wat vond u van dit boek?”

„Slecht”, zei de verkoper zodra hij me het wisselgeld gegeven had. „Ik heb er een stukje in gelezen en ben toen gestopt.”

„Waarom?”

Zonder antwoord te geven schoof hij een extra stoel aan en pakte zijn mobiele telefoon om een bestelling door te geven.

„Gaat u zitten.”

Uit een bureaulade haalde hij een Langenscheidt Universal Turkish Dictionary tevoorschijn, een handwoordenboek van het formaat van mijn vroegere schoolbijbel. We hadden ons nog niet geïnstalleerd of er liep een jochie de winkel binnen met een koperen dienblad met theeglazen en een theekan.

Het citaat van Orhan Pamuk dat me het meest verontrustte, stond niet in zijn boeken maar kwam uit een interview. In een gesprek met een Duitse journalist had hij gezegd: „De hoofdpersoon van Sneeuw heeft een oprecht verlangen naar religieuze ervaringen, maar zijn idee van God is erg westers. Hij is uit op de individuele belevenis, en niet op de gemeenschappelijke zoals die besloten ligt in de islam.” Dat ging over mij; geloven was voor mij een privé-aangelegenheid waarbij het ging om de contemplatie, en niet om het zoeken van troost bij gelijkgestemden.

Terugbladerend in Sneeuw stuitte ik op allerlei toespelingen op de beperktheid van zo’n ‘westerse’ geloofsopvatting. Op bladzijde 72 stond: „Ka had van het begin af aan geweten dat in Turkije geloven in God niet betekent dat de mens in zijn eentje de confrontatie aangaat met de meest verheven gedachte […], maar dat het voor alles inhoudt dat je toetreedt tot een geloofsgemeenschap, deel uitmaakt van een groep.”

Zo bezien was ik, net als Ka, ongeschikt voor godsdiensten die de nadruk legden op het collectief. En dat deden de meeste. Processies, gebedsbijeenkomsten of onderdompelingen in de Ganges ontleenden hun aantrekkingskracht aan hun massaliteit. Hoe sterker het wij-gevoel van een geloofsgenootschap, hoe afstotender ik dat vond. Ik, met mijn protestantse achtergrond, was liever een eenzaat. Het liefst bleef ik aan de zijlijn en als ik toch meegesleurd dreigde te worden, zette ik me schrap. Bij mij stond de rede aan het roer, behalve dan misschien tijdens vlagen van verliefdheid of het aanhoren van de symfonieën van Sjostakovitsj.

Maar was ik uit vrije wil – als een bewust, zelfstandig handelend individu – tot die houding gekomen, of was ik de gevangene van mijn achtergrond? Als ik Pamuk goed begreep, probeerde hij me aan mijn verstand te peuteren dat ik met mijn heilige individualiteit ook maar een voortbrengsel was van de Reformatie of welke stroming dan ook. En van die gedachte kon ik wakker liggen.

Waarom wantrouwde ik rituelen? Vond ik werkelijk dat ze de aandacht afleidden van de kern van de zaak? Of had Calvijn me dat ingefluisterd?

„Geloof begint waar je ophoudt vragen te stellen. En dat is nu eenmaal niets voor jou”, had mijn vrouw me voorgehouden.

Zij kwam uit een katholiek nest, met een oom die bisschop was geweest en een tante in het missieklooster. Onder de kerstboom van haar ouders stond een hele keramiekverzameling van herders, wijzen uit het Oosten, een kribbe met kind, schapen en een kameel – de typische poppenkast waar wij protestanten zo op neerkeken. Bij ons thuis ging het om het Woord, en om de band met God die je tijdens het bidden aanging.

Dat verschil in achtergrond bleef op een verbazingwekkende manier doorwerken. Noachs ark op de Ararat? Mijn vrouw had er nog nooit van gehoord. De Emmaüsgangers, de Barmhartige Samaritaan? Als ze ze al kende, dan was het van de etsen en schilderijen van Rembrandt.

In de katholieke kerk stond het altaar in het middelpunt, bij ons was dat de kansel. Die herschikking was terug te voeren op Calvijn en Luther, die de Schrift als het onfeilbare Woord van God boven alles hadden gesteld. Ook mijn eigen fascinatie voor de Bijbel liet zich waarschijnlijk terugvoeren op de Reformatie, maar dat nam niet weg dat die reëel was. Esau die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een bord linzensoep („laat mij slokken van dat rode, dat rode daar”), het brandend braambos dat niet verzengde, water dat in wijn veranderde op de bruiloft te Kanaän – ik was met die verhalen grootgebracht en ik koesterde ze.

Wie in de Bijbellezing was gevorderd, kon

zich laven aan de eerste twee verzen van Johannes: „In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God.”

Als ik mijzelf een biecht kon afnemen, zou ik toegeven dat ik mijn heil was gaan zoeken in het woord (zonder hoofdletter), en niet meer in het Woord. Ik had het een voor het ander ingewisseld. Vroeger bij biologie had ik geleerd dat het leven zich liet ontrafelen in DNA-strengen, of preciezer: de rangschikking van de vier basen: A, C, G en T. Zo eenvoudig was het. Scheikunde ging uit van moleculen die waren opgebouwd uit de logisch geordende elementen van Mendelejevs periodiek systeem. Bij natuurkunde heetten de kleinste deeltjes aanvankelijk atomen (van atomos, ondeelbaar), maar na de splijting van zo’n atoom was het einde zoek en viel de werkelijkheid uiteen in quarks en neutrino’s, antimaterie en vermoedens. Het mysterie, naarmate het verder leek opgehelderd, wist zich steeds weer te verplaatsen of op te splitsen. Dat op zich leek ervoor te pleiten dat het bestaansraadsel altijd wel ongrijpbaar zou blijven voor de metende wetenschappen. Pas nadat ik tot deze conclusie was gekomen, begreep ik wat voor mij de meest elementaire bouwstenen waren: de letters en de leestekens. Soms ook hele woorden of zinnen, uitgesproken dialogen of bestaande verhaalstrengen. Taal.

In mijn ogen was elk mensenleven opgebouwd uit een dramastreng met een kop (geboorte) en een staart (dood). Of een levensloop nu beschreven was of niet, hij bezat altijd de wezenskenmerken van het verhaal. Andersom kon je een gebeurtenis, waar of verzonnen, leven inblazen door haar onder woorden te brengen.

Ik kon me vinden in Joh. 1:3, als je tenminste de hoofdletter wegdacht: „Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.”

In het paradijs had Adam namen mogen geven aan het vee, het gevogelte des hemels en het gedierte des velds: dit hoorde bij het scheppingsverhaal. Benoemen wás scheppen. Herbenoemen herscheppen.

Ik luisterde ademloos toen mijn dochter haar eerste woordjes begon te brabbelen. Zoals andere vaders hun opgroeiende kind filmen en fotograferen, zo hield ik in ‘Vera’s grote woordjesschrift’ het verloop bij van haar uitingen in taal, om dichter bij de bron van de woorden te komen.

Het was al miljarden keren vertoond, maar ik vond het je reinste tovenarij. Eerst kwamen er klanken die leken op ‘mama’ en ‘papa’, gevolgd door dierengeluiden als ‘boe’ en ‘woef woef’. Al gauw kregen de dingen namen, die soms onherleidbaar waren. Ze richtte er haar gestaag uitdijende universum mee in.

Een ‘mee’ was een speen, ‘kapi’ een driehoekig blokje, en op 26 september 2004 besloot ze het bidden voor het eten bij mijn ouders thuis ‘bordje kijke’ te noemen. Na het ‘Amen’ had ze gevraagd: „Opa, oma, nog een keer bordje kijke?”

Vera’s wereld werd bevolkt door ‘boebies’ en ‘moemoes’. Ze gaf kleuren aan cijfers. „Twee is geel” – dat miste nooit.

Op 14 januari 2005, bijna drie, zei ze: „Ik zat te denken dat we vanmiddag koekjes gaan bakken.”

„Wat is dat: denken?”

„Dat je zachtjes praat.”

Toen ik dezelfde vraag een jaar later nog eens stelde, zei ze: „Uh…denken is gewoon denken… Als iemand niet weet wat het is, kun je het ook niet uitleggen.”

Na een vakantie in het buitenland brak bij haar het besef door dat je de dingen ook anders kon noemen. „Dagkoek”, zei ze toen ze drie-en-een-beetje was, „is Russisch voor ‘nee’. Wist je dat niet?”

De winkelbediende in Kars bladerde

door zijn Langenscheidt en begon een mening te formuleren.

„Mister Pamuk is…” – hij draaide het woordenboek naar mij toe met zijn vinger onder het juiste woord – „… layik.”

Ik las: ‘deserving, worthy’.

„Precies”, zei de verkoper. „He is not worthy of anything.”

Mijn hand greep naar het theeglaasje, maar dat was nog te heet. Orhan Pamuk, daar was ik me van bewust, was de hele zomer tegen wil en dank in het nieuws gebleven vanwege zijn opmerking over de in Turkije vermoorde Koerden (‘30000’) en Armenen (‘een miljoen’), waarmee hij het misdrijf ‘belediging van de Turkse nationale identiteit’ zou hebben begaan. De ironie wilde dat de aanklacht was gebaseerd op Turkijes nieuwe Wetboek van Strafrecht, dat juist was hervormd om toetreding tot de Europese Unie mogelijk te maken. Haken naar het Westen en spugen tegelijk, dat was precies de Turkse gespletenheid zoals Pamuk die zo vaak in zijn oeuvre liet zien.

„Kars is een moderne stad”, zei de verkoper. Hij legde uit dat de vrouwen van Kars hun haren onbedekt lieten, en dat ze dus niet vanwege hun hoofddoek zelfmoord konden plegen! Bij het woord zelfmoord maakte hij een roerende armbeweging boven het tafelblad, die eindigde in het straktrekken van de strop (een abrupte haal omhoog).

„Maar Sneeuw is een roman”, zei ik.

„Moment.” De verkoper zocht een nieuw woord en kwam uit bij ‘to abuse’. „Pamuk heeft ons misbruikt.”

‘Ararat’ verschijnt op 9 februari bij uitgeverij Atlas.

    • Frank Westerman