Ook u bent een surrogaat

In Richard Powers’ romans dringt de wetenschap diep door in het dagelijkse leven. Maar de wetenschap staat ook zij aan zij met de twijfel. Een beetje kritiek en de neuroloog blijft nergens meer.

Richard Powers Foto AP Richard Powers addresses dinner guests after accepting the award for best fiction with his book titled "The Echo Maker", at the 2006 National Book Awards sponsored by The National Book Foundation, New York, Wednesday, Nov 15, 2006. (AP Photo/Stuart Ramson) Associated Press

Richard Powers: The Echo Maker. Farrar, Straus and Giroux, 451 blz. € 19,– Een Nederlandse vertaling verschijnt eind deze maand bij Contact.

Tussen de bevindingen van de wetenschap en het dagelijkse leven gaapt een moeilijk overbrugbare kloof. De onvoorwaardelijke liefde die iemand voelt voor zijn kinderen mag dan door een evolutionair wetenschapper als Richard Dawkins als het werk van zelfzuchtige genen worden gezien – een vader of moeder ervaart zijn ouderlijke zorg geen moment als zodanig. Het gedrag van een persoon kan het onnavolgbare werk zijn van diens neuronen, maar hij of zij kan zichzelf nooit anders zien dan een autonoom handelend wezen.

Met vroeger werk als Galatea 2.2 en The Time of Our Singing verwierf de Amerikaanse auteur Richard Powers een grote naam als een romancier die op een niet vaak vertoonde manier schrijft vanuit zijn achtergrond als exacte wetenschapper. In The Echo Maker, zijn met de National Book Award bekroonde negende roman, thematiseert hij het wederzijdse onbegrip tussen wetenschap en dagelijkse praktijk.

In The Echo Maker wordt de mens zo nu en dan gepresenteerd als een omhoog gevallen zoogdier, maar blijft altijd de suggestie overeind dat er meer is tussen hemel en aarde. Dat is typisch Powers: hij plaatst, gekoppeld aan de personages, verschillende wereldbeelden naast elkaar. Maar op een voorkeur valt hij niet te betrappen. Powers wil bevragen. In The Echo Maker laat hij zien hoe mensen steeds weer bezig zijn een samenhangend verhaal te destilleren uit de voorradige gegevens, om vervolgens heilig in dit verhaal – religieus, wetenschappelijk of filosofisch – te geloven.

In de openingsscène van het boek wordt een jonge vrouw, Karin Schluter, om twee uur ’s nachts uit bed gebeld. De stem aan de andere kant van de lijn vertelt haar dat haar jongere broer Mark na een verkeersongeval is opgenomen in het Good Samaritan Hospital in Kearney. In de daaropvolgende weken waakt ze bij Mark, die in een coma is geraakt. Ze blijft trouw aan wat haar vader haar vroeger had doen beloven: dat ze altijd voor haar broertje zou zorgen. Ook al betekent dit dat ze gedwongen wordt te blijven in Kearney, het plaatsje dat ze dacht te zijn ontvlucht. Voor Karin is Kearney namelijk een broedplaats van onaangename herinneringen. Niet in de laatste plaats omdat ze er samen met Mark groot werd gebracht door een ziekelijk paranoïde vader en een godsdienstfanatica als moeder.

Het zou het begin kunnen zijn van een psychologische roman, maar Powers is er de auteur niet naar om zijn boek te concentreren op een halfzachte confrontatie met een onverwerkt verleden. Hij zet hoger in. Dat blijkt ook uit de volgende plotwending. Mark blijkt een hersenbeschadiging te hebben die het – werkelijk bestaande maar zeldzame – Capgras syndroom veroorzaakt: de patiënt is ervan overtuigd dat degenen die hem het dichtst nabij staan vervangen zijn door dubbelgangers. Mark bekt zijn zus dan ook af: ‘Wie heeft je gestuurd?’ Hij is onvermurwbaar in zijn geloof dat Karin een surrogaat is van zijn echte zus. Haar nieuwe naam is wat hem betreft Karin Two.

Wanneer een aangeslagen Karin googlet op ‘Capgras syndroom’ en op het voorbeeld stuit van een jongen die zijn vader opensneed om de bedrading te vinden, slaat de schrik haar om het hart. Door haar jeugdvriendje Daniel, met wie ze inmiddels opnieuw samenwoont, krijgt ze een boek van de bekende neuroloog Gerald Weber in handen gedrukt. In zijn populair wetenschappelijke bestsellers beschrijft Weber verschillende case studies van mensen met opmerkelijke neurologische aandoeningen.

Powers excelleert als hij de persoon van deze Gerald Weber, uiterlijk een kruising tussen Charles Darwin en de kerstman, beschrijft. Weber is een vastberaden wetenschapper, die zijn zelfverzekerdheid goeddeels ontleent aan de internationale verkoopsuccessen en lovende besprekingen van zijn boeken. Wanneer hij een mailtje ontvangt van een wanhopige Karin stapt hij bulkend van zelfvertrouwen op het vliegtuig naar Nebraska. Daar laat hij Mark wat testjes doen, vinkt hij een vragenlijstje af en beschikt hij al snel over voldoende informatie voor een uitgebreide casusbeschrijving.

Heel knap schetst Powers deze Weber als een intelligente en ogenschijnlijk integere man, wiens morele status langzaam maar zeker gaat wankelen. Een man ook die heilig gelooft in de wetenschap. De neuroloog heeft het sterke gevoel in de tijd te leven waarin veel van de grote vragen omtrent het menselijk brein zullen worden opgelost. Hoe vormen de menselijke hersenen het bewustzijn? Bestaat er een vrije wil? Het brein, zo stelt Weber, is de bron van politiek, technologie, sociologie en kunst. Wanneer we de neuronen temmen, dan temmen we onszelf.

Maar als er na een reeks lovende besprekingen ook wat kritische recensies verschijnen over zijn nieuwste boek, is Weber de eerste die aan zichzelf, maar ook aan de wetenschap gaat twijfelen. Stemmen klinken op dat hij de personen die hij in zijn boeken beschrijft exploiteert voor eigen gewin. Bovendien worden vraagtekens geplaatst bij de wetenschappelijkheid van zijn werk.

In de romans van Powers dringt de wetenschap diep door in het dagelijkse leven. Maar de wetenschap staat zij aan zij met de twijfel. Hoe meer feiten boven tafel komen, hoe meer vragen er rijzen. Het gaat Weber steeds meer dagen dat hijzelf eveneens aan waanideeën lijdt. Hij heeft zijn eigen wereldbeeld gecomponeerd. Maar de werkelijkheid is zo complex en veelkantig dat je én in het dagelijkse leven én in de wetenschap de realiteit nooit van één kant moet bekijken.

Powers’ hoge inzet eindigt niet in een ideeënroman, waarin essayistische uitweidingen het boek gewicht moeten geven en het menselijke geen ruimte krijgt. Hij houdt van een goed plot. Typerend zijn dan ook de door het boek gewoven thrillerelementen. Want hoe kan het dat een ervaren automobilist als Mark ooit op een voor hem overbekende weg is verongelukt? Tegelijk bouwt Powers elk personage uiterst realistisch op. Hij is een meester van de dialoog. Beter gezegd: een meester van de confrontatie. Als geen ander maakt hij de onderhuidse irritatie tussen twee discussiërende neurologen voelbaar, de ingesleten maniertjes van een man en vrouw die al dertig jaar zijn getrouwd of de subtiele wisselwerking tussen twee gebrouilleerde jeugdvrienden. En met datzelfde vakmanschap brengt hij literatuur en wetenschap tegen over elkaar in stelling.