Ode aan een Overijsselaar

‘Openbaringen’ is ....

Zou iemand nog hebben geweten wie Albert Jacob Duymaar van Twist was, als Max Havelaar niet had bestaan?

Hoogst onwaarschijnlijk.

Van de omstreeks 70 gouverneurs-generaal uit onze koloniale geschiedenis was Van Twist, die de Buitenzorgse troon bezette tussen 1851 en 1856, zeker niet de gedenkwaardigste. Geen Coen die de Banda-eilanden ontvolkte. Geen Daendels die de Grote Postweg aanlegde. Geen Van den Bosch die het cultuurstelsel invoerde. Geen Van Heutz die de opstand in Atjeh bedwong. En nog lang geen Tjarda van Starkenborgh die pas veel later door het lot zou worden aangewezen om de allerlaatste van alle ‘onderkoningen’ te blijven.

Van Twist moet een fatsoenlijke, ondaadkrachtige, inlandervriendelijke gezagdrager zijn geweest die in Indië niets speciaal tot stand bracht, maar ook niets speciaal bedierf: een tamelijk kleurloze GG zoals er talrijke vóór en na hem zijn geweest.

Dat hij aan het eind van zijn ambtsperiode een assistent-resident op Java wegens insubordinatie uit diens functie onthief (en hem een andere standplaats aanbood), zou hem niet memorabeler hebben gemaakt. Maar hij trof het dat de verongelijkte assistent-resident zijn verontwaardiging luchtte in een boek dat ‘een rilling door het land’ deed gaan. Zoals de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus onsterfelijk werd dank zij Jezus van Nazareth, dankte onze landvoogd zijn onsterfelijkheid aan een hoogmoedige ondergeschikte.

Als overheidsdienaar vereeuwigd worden door de literatuur!

Multatuli had voor hem geen schuilnaam bedacht, wat ook zinloos zou zijn geweest. De resident (Brest van Kempen) genoot als Slijmering nog een zekere bescherming, zeker in het moederland waar niemand de Indische bestuurshiërarchie kende. Maar hoe de gouverneur-generaal heette kon iedereen in de krant lezen.

De ex-gouverneur-generaal werd na terugkeer in patria bovendien gekozen lid van de Tweede Kamer, dus bleef een publieke figuur. Toen Max Havelaar in 1860 verscheen, had hij over zijn openbaar gemaakte rol natuurlijk ter verantwoording kunnen worden geroepen. Daar heeft het ook even op geleken. Maar toen hij in het voorzichtig begonnen Kamerdebat zei dat hij ‘als betrokkene’ onmogelijk een oordeel over het boek kon uitspreken, werd met die verklaring genoegen genomen. Het parlement (waarin toen zoals bekend ‘liberalen’ en ‘conservatieven’ waren vertegenwoordigd, maar nog geen politieke partijen) opende met graagte zijn doofpot.

Het zal hem hebben opgelucht, vermoedde Willem Frederik Hermans. ‘Immers’, schreef hij in zijn Raadselachtige Multatuli, ‘talrijke bestrijders van Multatuli zullen in hun hart over Van Twist gedacht hebben: deze gouverneur-generaal heeft die gek tenslotte wel berispt, maar hoe heeft hij zo uilig kunnen zijn hem ooit aan te stellen?’

Duymaer van Twist mocht blij zijn dat hij kon overleven als een romanfiguur van Multatuli. Weliswaar als bad character (door zijn weigering om Havelaar audiëntie te verlenen bracht hij ‘een deftig gezin tot den bedelstaf’), maar al bijna fictie, in plaats van realiteit.

Voor de realiteit van Van Twist wordt dezer dagen nog weer eens aandacht gevraagd op twee tentoonstellingen in Deventer (tot 20 mei), respectievelijk in het Historisch Museum en in het Speelgoedmuseum, en in een bundel rijkelijk geïllustreerde biografische schetsen (die half en half tevens als tentoonstellingsgids kunnen dienen), waarin drie auteurs de jeugd, de Indische jaren, het kamerlidmaatschap en tenslotte de nadagen op het Diepenveense landgoed Nieuw Rande in kaart hebben gebracht.

Het beeld dat uit de keurige opstellen oprijst is inderdaad dat van een nette, betrekkelijk mediocre man (maar onthoud dat in de 19de eeuw vaak vurig is gepleit voor het middelmatige, het juiste midden en de gulden middelmaat!), uit de ‘grote’ bourgeoisie – het reservoir dat in de 19de eeuw de natuurlijke aanvoer van bestuurlijke elites garandeerde.

Auteur C.M. Hogenstijn typeert hem als een nogal ‘starre jurist’, een man die zich in en buiten de politiek inzette voor de armenzorg, en wiens belangstelling voor de ‘ijzeren baan’ waarschijnlijk niet zozeer wees op enthousiasme voor moderne vervoerstechniek, als wel op een goed ontwikkeld beleggersinstinct; zijn aandelen in diverse spoorwegmaatschappijen zullen hem geen windeieren hebben gelegd.

Aan auteur J.C. Smelik werd het hoofdstuk over het gouverneur-generaalschap toevertrouwd. Karakteristiek daarin is eigenlijk geen enkele bestuursdaad en ook niet zozeer de vroeg-ethische neiging om de bevolking te beschermen tegen de uitwassen van het cultuurstelsel (hoe Multatuliaans!) – maar vooral de reislust die Van Twist en zijn vrouw aan de dag legden. Anders dan veel van hun voorgangers hadden de twee geen Indisch verleden, vandaar de behoefte om zich als half-koninklijk echtpaar aan zo veel mogelijk onderdanen te laten kennen. Behalve Java ‘deden’ ze Madoera, Sumatra, Celebes en de Molukken – voor die dagen reusachtige en tijdrovende excursies met natuurlijk veel ceremoniële plichtplegingen, maar ook met een hoog toerisme-gehalte.

De zaak-Lebak wordt correct weergegeven. Dat de brave Van Twist er iets beter van af komt dan Multatuli lijkt me verdiend; expositie en boek zijn er tenslotte om een Overijsselaar, niet om een onberekenbare artiest uit Holland te gedenken. Maar moeten we Van Twist alsnog credits voor Max Havelaar gunnen? Misschien bedoelt Smelik het half-ironisch als hij schrijft: ‘Dat een van de mooiste boeken in onze literatuur kon ontstaan, is uiteindelijk ook voor een groot deel aan hém (Van Twist) te danken’.

Wie is overigens J.C. Smelik? En wie C.M. Hogenstijn? En wie W.J.M. Janssen, die de beschrijving van Nieuw Rande voor zijn rekening nam? Zijn het ambtenaren? Onderwijzers? Historici? Toegewijde amateurs? In een voorwoord worden ze geprezen om hun ‘onbaatzuchtige inzet’. Daar zou je uit kunnen afleiden dat ze al die moeite voor (bijna) niks hebben gedaan – wat naar amateurisme zweemt.

Maar waarom lezen we nergens een paar desnoods heel korte, cv-achtige gegevens over schrijvers die zich kennelijk met een bedankje hebben laten afschepen? Voor het geld had de uitgever het niet hoeven laten. In het voorwerk van A.J. Duymaer van Twist, gouverneur-generaal van Nederlands Indië (1851-1856) lezen we dat Walburg Pers geldelijke steun mocht ontvangen van zes sponsors, waaronder de gemeente Deventer en het Prins Bernhard Cultuurfonds Overijssel. Had uit hun bijdragen niet één extra bladzij kunnen worden gefinancierd waarop, al was het maar uit beleefdheid tegenover de geïnteresseerde koper, wat elementaire informatie over de samenstellers was afgedrukt?

Eigenlijk zou je zo’n boek voor straf moeten doodzwijgen. Maar Multatuli zwijg je niet dood. En daarom Duymaer van Twist ook maar niet.