Mogen we nog trots zijn?

In Frankrijk slaan historici, politici en anderen elkaar om de oren met de koloniale geschiedenis. Verdedigers van de nationale eer staan tegenover de pleitbezorgers van de slachtoffers van het kolonialisme. Maar is er ook een middenweg mogelijk?

Pascal Bruckner: La tyrannie de la pénitence. Essai sur le masochismeoccidental. Grasset, 250 blz. € 16,90

Daniel Lefeuvre: Pour en finir avec la répentance colonial. Flammarion, 231 blz. € 18,–

Rama Yade-Zimet: Noirs de France. Calmann-Lévy, 235 blz. € 16,–

Pascal Blanchard et Nicolas Bancel: Culture post-coloniale 1961-2006. Traces et mémoires coloniales en France.Editions Autrement, 288 blz. € 19,–

Een Franse politicus die wil bewijzen dat hij het kolonialisme heeft verwerkt, moet op audiëntie naar Martinique, een van de Franse provincies in de Bovenwindse Antillen. Daar woont de dichter Aimé Césaire (93), inmiddels erkend als een van de grootste Franse dichters sinds hij in 1939 debuteerde met zijn lange prozagedicht Le cahier d’un retour au pays natal. Halverwege de vorige eeuw was Césaire, samen met de latere Senegalese president Léopold Sédar Senghor, de grondlegger van de ‘négritude’.

Deze literaire beweging wilde wereldwijd het zwarte bewustzijn losweken van koloniale stereotypen. In 1955 schreef hij zijn beroemd geworden Rede over het kolonialisme. Daarin verklaarde hij dat de ‘zeer gedistingeerde, zeer humanistische, zeer christelijke burger van de twintigste eeuw’ een ‘Hitler in zich draagt.’ Als deze burger tegen Hitler in verzet kwam, deed hij dat bij gebrek aan logica, want ‘[...] wat hij Hitler eigenlijk kwalijk neemt, is niet de misdaad op zich, maar de misdaad tegen de blanke man […], het toepassen op Europa van een kolonialistische werkwijze die tot nu toe enkel opging voor de Arabieren, de koelies van India en de negers van Afrika.’

Inmiddels is Césaire een stuk gematigder en in verkiezingstijd een populair koffieadres bij politici van allerlei herkomst. Presidentskandidaat Nicolas Sarkozy gelastte eind 2005 een reis als minister van Binnenlandse Zaken naar de Antillen af, omdat Césaire hem niet wilde ontvangen. Het was vlak na de rellen in de banlieues en Sarkozy had straatjongens – van doorgaans allochtone origine – ‘racaille’ (tuig) genoemd. Sarkozy schreef een verzoeningsbrief aan Césaire, vernoemde zelfs het vliegveld op Martinique naar hem, maar niets hielp. Pas nadat de regering afstand had genomen van het koloniale verleden, mocht hij alsnog komen. Deze week verscheen Ségolène Royal, de socialistische favoriet voor het presidentschap, stralend voor de camera na haar privégesprek met Césaire. Hand in hand met de dichter, die haar zijn officiële zege en goedkeuring gaf. Royal benutte de gelegenheid om te verklaren dat dat ze ‘geen mooiere, krachtiger en meer definitieve tekst’ over het kolonialisme kent dan Césaires Rede over het kolonialisme.

De omzichtigheid van Sarkozy en Royal komt niet uit de lucht vallen. Sociologen, filosofen en historici zijn het erover eens dat de koloniale erfenis de laatste jaren in Frankrijk inzet is geworden van een ‘guerre des mémoires’; een heuse ‘herinneringsoorlog’ die zijn sporen nalaat in zowel de voorstad, het intellectuele debat en in de politiek.

Om die oorlog draait het in Culture post-coloniale 1961-2006, een bundel onder redactie van Pascal Blanchard en Nicolas Bancel. Het boek sluit een drieluik af van deze twee historici over de koloniale erfenis in Frankrijk. Volgens hen is er de afgelopen twee jaar in Frankrijk een ware doorbraak bereikt. Een reeks affaires, waaronder de rellen in de voorsteden in het najaar van 2005, heeft duidelijk gemaakt dat ‘de grenzen van de vergetelheid zijn bereikt’. Problemen rond discriminatie, integratie, de opkomst van de islam maar ook de naar binnen gekeerde houding van het huidige Frankrijk, maken volgens de twee historici duidelijk dat ‘het voormalige thuisland definitief is gekoloniseerd door zijn vroegere rijk’. De koloniale erfenis heeft zich in hun ogen bewezen als ‘één van de grote vragen van onze tijd’.

Dat zijn grote woorden, maar dat er iets aan de hand is, mag duidelijk zijn. Een curieuze episode in de herinneringsoorlog speelde zich de afgelopen jaren af in het Franse parlement. Op 23 februari 2005 werd daar een wet aangenomen die scholen verplichtte de ‘positieve kanten’ van het Franse koloniale verleden te onderstrepen. Het was een reactie op de erkenning, in 2001, van de slavernij als een misdaad tegen de menselijkheid. Dat is neergelegd in een wet die werd genoemd naar zijn initiator, Christina Taubira, de gedeputeerde van het departement Guyana. De slavernij wordt nu elk jaar op 10 mei herdacht, maar de wet op het ‘goede kolonialisme’ hield geen stand. President Chirac haalde er een streep door na veel protesten van onder andere historici, die zich verzetten tegen het opleggen van een officiële staatsgeschiedenis.

Maar dat heeft het soms heftige proces van politieke bewustwording in Frankrijk niet stil gezet. Gespreksgroepen van zwarte en Noord-Afrikaanse jongeren in de Franse voorsteden te werken aan ‘devoir de mémoire’: de ‘plicht tot herinnering’ aan het verleden van kolonialisme en slavernij. Het betreft hier geen exclusief ‘zwart’ bewustzijn, zoals bleek toen begin 2005 de beweging van ‘Inboorlingen van de Republiek’ ontstond, gedragen door Fransen van Noord-Afrikaanse afkomst en linkse intellectuelen. Zij beschouwen discriminatie en racisme in de banlieues als de voortzetting van het kolonialisme met andere middelen. Het oordeel over het kolonialisme wint bijna per dag aan scherpte. De historicus Olivier Le Cour Grandmaison stelde bijvoorbeeld dat het ‘uitroeien’ van de inheemse bevolking een essentieel onderdeel was van het koloniale project – ideologisch van een dekmantel voorzien door liberale denkers als Alexis de Tocqueville.

Er zijn ook meer gematigde signalen, die wijzen op een grote maatschappelijke beweging rond dit onderwerp. Zoals het succes van de film Indigènes, over de inzet én de discriminatie van soldaten uit de koloniën, die hebben bijgedragen aan de Franse bevrijding in de Tweede Wereldoorlog. De koloniale erfenis is zo bezig uit te groeien tot een werkzame, bindende kracht bij het deel van Franse bevolking dat van Noord-Afrikaanse, Afrikaanse of Antilliaanse oorsprong is. Maar er is nog meer aan de hand. De historicus Romain Bertrand verwijst in Mémoires d’Empire naar de polarisering die wordt aangewakkerd door rechtse politici uit Zuid-Frankrijk, die te maken hebben met een sterk Front National in hun regio.

Rama Hade-Zimet, een jonge medewerker van presidentskandidaat Sarkozy die afkomstig is uit Senegal, vraagt zich in het deze week verschenen Noirs de France af hoe het komt dat de Franse Republiek en Afro-Antillianen elkaar zo zijn misgelopen. Een van haar antwoorden is dat Frankrijk zich door de dekolonisering als ‘steeds witter’ is gaan beschouwen – alle immigratie ten spijt. De kolonisatie zien veel Fransen inmiddels als een geschiedenis die niet van hen is, meent Hade-Zimet. Wie erover begint, valt meteen de hele republiek aan, want in de negentiende eeuw kregen republiek en koloniaal wereldrijk gelijktijdig – hand en in hand – vorm. Dat zou het voor Frankrijk zo bijzonder moeilijk maken om in het reine te komen met het nationale verleden. Daarmee vergeleken is zelfs de omgang met het collaborerende Vichy-regime tijdens de Tweede Wereldoorlog kinderspel, menen Blanchard en Bancel in Culture post-colonial. ‘Vichy’ kan immers worden opgevat als een autoritair incident, een breuk met de tradities van de republiek. De kolonisatie echter was een ‘massief verschijnsel’, dat intiem verbonden is met de geschiedenis van de Franse republiek zelf.

Radicale veroordelingen van het koloniale verleden en de Franse identiteit, hebben tot een even felle toon geleid bij de tegenstanders in het debat. Dat zijn de schrijvers en politici die oproepen tot het koesteren van het grootse Franse verleden. De historicus Daniel Lefeuvre, een autoriteit op het gebied van de koloniale geschiedenis in Algerije, heeft de veilige stellingen van de wetenschap verlaten om in Pour en finir avec la répentance coloniale af te rekenen met de ‘koloniale boetvaardigheid’ . Wie roept dat de – wrede en moorddadige – Franse koloniale oorlogen in Algerije vooruit liepen op de holocaust, brengt volgens Lefeuvre niet minder dan de sociale vrede en saamhorigheid van de republiek in gevaar. Door de hedendaagse immigranten te beschouwen als de rechtstreekse erfgenamen van de slachtoffers van het kolonialisme, ontstaat volgens hem een ‘Frankrijk van apartheid [...] ‘waar men eerst blank, zwart of arabier, christelijk, joods of moslim is, en dan pas Frans.’

Ook de liberale essayist Pascal Bruckner heeft zich in de herinneringsoorlog gemengd, en ook hij zet zijn betoog stevig aan in La tyrannie de la pénitence. Daarin keert hij zich tegen het ‘westerse masochisme’. Zijn boek is een aanklacht tegen de Europese neiging tot schuldbetoon en boetedoening. Voor hem is Césaire de dichter die er als een van de eersten bij was om Frankrijk een onnodig schuldcomplex aan te praten. Maar Bruckner volstaat niet, zoals veel van zijn medestanders, met een pleidooi voor hernieuwde nationale trots op het verleden. In zijn ogen is de Franse worsteling met de koloniale erfenis onderdeel van een dieper probleem: Europa heeft volgens hem het geloof in zichzelf verloren.

Bruckners boek is een vervolg van de kruistocht die hij in 1983 begon met Le sanglot de l’homme blanc, het boek waarmee hij zijn tegendraadse naam vestigde. Toen ging het nog om een aanklacht tegen het alom verspreide ‘tiersmondisme’, de misplaatste solidariteit uit schuldgevoel van de ‘witte man’ met de Derde Wereld. Dat schuldgevoel heeft volgens Bruckner inmiddels een overtreffende trap bereikt, in de alom waarneembare westerse ‘zelfverloochening’.

In Frankrijk is dat nog een graad erger dan elders. Het land is met 73 miljoen bezoekers per jaar de meest geliefde vakantiebestemming ter wereld. Maar de 63 miljoen mensen die er wonen zijn bijna allemaal depressief, sneert Bruckner, en slikken de meeste antidepressiva ter wereld. Het is verleidelijk Bruckners boek te lezen als een symptoom van het ziektebeeld dat hij aanklaagt. Als Fransen inderdaad zulke zelfhaters zijn, moet La tyrannie de la pénitence wel precies zijn wat ze over zichzelf willen lezen. Nationaal zelfbeklag verkoopt.

De herinneringsoorlog moet volgens Bruckner worden begrepen tegen de achtergrond van de desintegratie van het nationale idee in heel Europa. Identiteiten worden in toenemende mate gebouwd op het cultiveren van het gedeelde lijden van groepen. Maar anders dan de Franse ‘republikeinen’ vreest hij niet zozeer het uiteenvallen van de samenleving, maar een zielloze natie, een ‘aggregatie van klagers’. Dat neemt niet weg dat ook volgens hem het idee van burgerschap alleen kan bestaan met een gemeenschappelijk, nationaal verhaal. Toch verdedigt Bruckner niet simpelweg het Franse republikeinse model als uitweg, of het cultiveren van een groots verleden. Hij erkent dat Frankrijk problemen heeft met racisme en discriminatie en prijst ook de grotere aandacht voor de koloniale erfenis.

Wat is dan de uitweg? De kern van Bruckners boodschap zit in een retorische vraag: ‘Waaraan moeten we loyaal zijn? Aan de zwarte bladzijden van onze geschiedenis of aan de lessen die we daaruit getrokken hebben?’ Europa staat volgens hem voor de opdracht de democratische verworvenheden in de wereld te verspreiden. Het oude continent kan nog steeds het ‘morele kompas van de wereld’ zijn, concludeert hij hoopvol, omdat het zich bevrijd heeft van zijn monsters: slavernij, kolonialisme, fascisme en communisme. Dat perspectief maakt Bruckner anders, en interessanter, dan de meeste – vaak eenzijdige – aanklagers van de koloniale erfenis, en ook een stuk genuanceerder dan de meeste verdedigers van de Franse trots.