Koreaans absurdisme

Kim Young-Ha: Ik heb het recht mezelf te vernietigen. Vertaald uit het Frans door Floor Borsboom. Ambo, 119 blz. €14,95

Kim Young-Ha: Ik heb het recht mezelf te vernietigen. Vertaald uit het Frans door Floor Borsboom.Ambo, 119 blz. €14,95

‘Er zijn tegenwoordig maar twee wegen voor wie een god wil worden: creëren of doden’. De verteller van deze Koreaanse roman doet beide. Hij leidt mensen naar de daad van zelfmoord en schrijft vervolgens hun verhaal op als het zijne. ‘Zo word ik langzaam maar zeker een volmaakte god.’

Het is een bizar verhaal dat Kim Young- Ha ons voorschotelt in zijn nu in het Nederlands vertaalde debuutroman Ik heb het recht mezelf te vernietigen, uit 1996. Het boek heeft niets van het politieke realisme van bijvoorbeeld Hwang Sok-Yong (1943), de grote Koreaanse schrij ver die in een interview met deze krant constateerde dat de jongere Koreaanse schrijversgeneratie geen enkele belangstelling meer heeft voor politieke of sociale vraagstukken.

Toch groeide ook Kim Young- Ha op in een politiek dramatische omgeving. Zijn vader was militair en het gezin gestationeerd in de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea. Maar inderdaad; de jongere schrijver, geboren in 1968, houdt zich verre van politiek realisme. In zijn debuutroman laat hij de realiteit ontploffen en wentelt hij zich in grotesk absurdisme. Identiteiten verschuiven, personages worden met één letter aangeduid, van een echte verhaallijn is geen sprake, evenmin als van psychologie of waarschijnlijkheid. Als lezer waan je je soms in werk van Tristan Tzara, André Breton of Arthur Rimbaud, overgoten met een sausje nouveau roman.

Hoewel de titel in eerste instantie doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een pleidooi voor zelfbeschikking, voor euthanasie of zelfmoord, is het boek eerder een getuigenis van de waanzin van het dagelijks leven, gezien door de ogen van twintigers. De roman ademt hectiek, haast en kompasloosheid, is doortrokken van verwijzingen naar dood, obsessie en pure onverschilligheid. Kunst komt voort uit angst, snelheid komt op het eerste plan, pas daarna de vraag ‘waarheen?’. Wat te denken van een krankzinnige non-seksscène in een ingesneeuwde auto, waarbij het meisje, verslaafd aan lolly’s, uiteindelijk in de sneeuw verdwijnt, ‘als vreemd creatuur, een schimmel die zich op zijn leven heeft afgezet’?

Young-Ha’s personages wapperen los in de wind, hebben geen context, herinneren zich niets: ‘misschien was er tot nu toe wel niets wat de moeite waard was om te onthouden’. Over toeristen die foto’s maken merkt de schrijver op: ‘Op zoek naar de onsterfelijkheid van de herinnering offeren ze het heden op. Het is bedroevend, maar het is niet anders.’ Precies daar zit de kern van deze raadselachtige roman.