Knutselen aan je eigen verhaal

Jan Wijnen Foto Chris van Houts Houts, Chris van

Jan Wijnen: So sorry. Nieuw Amsterdam, 176 blz. € 15,50

Als je de eerste bladzijden van Jan Wijnens So sorry leest heb je het idee dat de plot van een stevige roman in de steigers wordt gezet. Een al wat oudere man vergezelt zijn echtgenote tot in de wachtkamer van de psychiater. Zij wil eigenlijk dat hij zich aansluit bij de therapie, hij piekert daar niet over want hem mankeert helemaal niets. Duidelijk is er iets misgegaan in deze relatie. Wat heeft die man tegen therapie? Er is ook sprake van een uitstapje naar Wenen. Maar juist als je je een voorstelling begint te maken van dat tripje of van het onvermijdelijke moment waarop de man toch voet zal zetten in de spreekkamer van de therapeut is het verhaal ineens afgelopen. Achterflap niet goed gelezen; roman blijkt verhalenbundel.

Het plotselinge einde van het openingsverhaal van So sorry blijkt geen uitzondering te zijn. Wijnen (1943) lijkt er veel genoegen in te scheppen om zijn verhalen ineens te stoppen, ruim voordat je als lezer een climax verwacht. Neem het titelverhaal, waarin de held op het punt staat na een half leven zijn jeugdliefde weer te ontmoeten. Zij zit in de lunchroom te wachten, hij observeert haar nog even van buiten. Wijnen schrijft: ‘Dan ziet hij een taxi het plein op draaien. Een lege.’ En dat is het dan. Alsof de spreekwoordelijke olifant langs is gekomen en het verhaaltje heeft uitgeblazen.

Het gevolg van die abrupte eindes is dat je de verhalen van Wijnen onmiddellijk opnieuw leest. En dan ziet hoe prachtig ze in elkaar zitten. Dat hij, in het geval van ‘So sorry’ inderdaad al heeft uitgelegd waarom die man die vrouw zo graag wilde zien, dat je weet door welke subtiele optelsom van factoren het niet meer hoeft als hij haar van een afstandje heeft geobserveerd en dat hij dus in die lege taxi gaat stappen. Waar je dacht net vóór de climax te zitten, blijk je die net al achter de rug te hebben.

Wijnen toont zich niet alleen de meester van eindes die uit de lucht komen vallen, hij maakt ook met verve gebruik van de donderslag midden in het verhaal. Bijvoorbeeld in ‘De cavia’ waarin een kort daarvoor gescheiden man bezoek krijgt van zijn zwager en schoonzus, die naar zijn beste weten hun voordeel hebben gedaan met de onbegrensde mogelijkheden van hun nieuwe vaderland, de Verenigde Staten. De man voelt zich ongemakkelijk bij het joviale getetter van zijn veramerikaniseerde gast, Harry. Dan draait Wijnen de zaken in één keer om: ‘Harry begint plotseling te huilen’. Het is zo verrassend dat het op de lachspieren werkt. In het vervolg van het verhaal blijkt het geluk tussen de gezinnen niet alleen anders te zijn verdeeld: bovendien blijkt de onzekerheid van het gebroken Nederlandse gezin in vergelijking met de Amerikanen een toppunt van veiligheid.

De zorgvuldigheid waarmee Wijnen zijn puzzelstukjes presenteert – iedere terloopse opmerking kan bij hem cruciale informatie bevatten – zou je het idee kunnen geven dat hij een voorzichtige, ingetogen schrijver is. Niets is echter minder waar, zijn personages zijn vaak extraverte types die spreken met stevige stemmen in zinnen als: ‘Want het ging hier niet om zomaar worst, een ordinaire saucijs. Neen, hier was sprake van Weense worst, ontegenzeggelijk, mijn reukorgaan bedriegt me niet.’ Of ze maken hardhandig ruzie met hun echtgenote: ‘Na zulke opmerkingen schreeuwde hij haar toe dat hij alles prima onder controle had, prima ja, behalve die vermaledijde commissie dan, met haar waanzinnige conclusie.’

De hoge toon van Wijnens karakters weerspiegelt waar ze staan in het leven: het zijn vaak verliezers die nog niet weten dat ze dat zijn. Zoals je bij het lezen van Wijnens verhalen verrast kunt worden door het einde, worden veel van zijn personages ingehaald door de werkelijkheid: hun rol blijkt al enige tijd uitgespeeld. Dat hangt samen met de geheimen die ze met zich meedragen, waarbij het meestal gaat om geheimen van seksuele aard: van eenvoudige weggedrukte homoseksualiteit en stiekeme travestie, via pedofilie naar verkrachtings- en moordlust. Dat de tien verhalen in So sorry zo’n hechte thematische eenheid vormen, is iets wat je je pas in de loop van de bundel realiseert. Dan ook kom je af en toe een verhaal tegen dat wat minder sterk is, bijvoorbeeld omdat Wijnen zich verliest in het bedenken van een wel heel erg ingewikkelde plot rond een moordspel.

De eenheid van So sorry zit niet zozeer in de terugkerende seksuele thema’s, maar in de verhouding tussen wie mensen werkelijk zijn en de voorstelling die ze zich maken van zichzelf. Zoals een van Wijnens personages terloops, hoe kan het ook anders, opmerkt: ‘Verhalen veranderen, mensen niet’. Wat Wijnen laat zien is hoe mensen steeds weer aan hun ‘verhalen’ proberen te knutselen, terwijl ze waarschijnlijk liever zichzelf onder handen zouden willen nemen. Dat dat onmogelijk is, maakt Wijnen echter in elk nieuw verhaal weer duidelijk.

Jan Wijnen debuteerde drie jaar geleden op 61-jarige met de bundel Het kwade amen, die genomineerd werd voor de Debutantenprijs. Er zijn waarschijnlijk veel verhalen te vertellen over de zestig jaar die Wijnen leefde voor hij zich met literatuur inliet. Maar So sorry laat er geen enkel misverstand over bestaan wat er achter die mogelijke verhalen schuilging: een schrijver – en wat voor een.