Hou die Duitsers in de gaten

Nederlandse militairen hadden tot 1940 in Europa honderd jaar niet gevochten. Toch had Nederland een sterkere martiale traditie dan ons vredelievende zelfbeeld wil geloven.

Paul Moeyes: De sterke arm, de zachte hand. Het Nederlandse leger & de neutraliteitspolitiek 1839-1939.De Arbeiderspers, 582 blz. €39,50

Lodewijk Stegman, hoofdpersoon van W.F. Hermans’ bij verschijning geruchtmakende roman Ik heb altijd gelijk, houdt er in zijn kindertijd een opmerkelijke ambitie op na: als hij volwassen is, wil hij generaal worden. In plaats van met zijn vriendjes op straat te voetballen, verdiept Lodewijk zich alvast in boeken over ballistiek en strategie. Pas jaren later realiseert hij zich hoe absurd zijn jeugddroom was. Generaal in het Nederlandse leger is immers ‘een carrière die helemaal niet bestaat. Het is hetzelfde als admiraal in Hongarije.’

Op het eerste gezicht lijkt deze vergelijking volkomen op zijn plaats. Tijdens het Interbellum, de periode waarin Lodewijk opgroeide, was het Nederlandse leger bij evenveel oorlogen betrokken als de Hongaarse marine. De Tiendaagse Veldtocht van augustus 1831 was de laatste offensieve campagne van de Nederlandse strijdkrachten in Europa. De enige militairen die konden bogen op gevechtservaring op de Europese slagvelden waren de officieren die in 1913 hadden deelgenomen aan een vredesmissie in Albanië. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog beperkte de rol van de Nederlandse krijgsmacht zich weer tot wachtlopen aan de grens. Tussen 1839 en 1940 vuurden Nederlandse soldaten in Europa nauwelijks een schot af, althans niet in gevechtssituaties. En wie wil er nu generaal worden van een leger dat al honderd jaar niet heeft hoeven vechten?

Dat het cynisme van Lodewijk Stegman over de betekenis van het Nederlandse leger niet door iedereen werd gedeeld, blijkt uit De sterke arm, de zachte hand. Het Nederlandse leger & de neutraliteitspolitiek, de lijvige studie die Paul Moeyes onlangs publiceerde. Moeyes, docent geschiedenis en Engelse letterkunde aan de Educatieve Hogeschool van Amsterdam, maakt echter wel duidelijk dat het leger in de ogen van de meeste Haagse beleidsmakers eerder een politieke dan een militaire functie vervulde. De strijdkrachten dienden vooral om de neutraliteitspolitiek die Nederland tot de Duitse inval van mei 1940 voerde, tegenover de omringende grote mogendheden geloofwaardigheid te verschaffen.

Nederland was na de definitieve breuk met België gereduceerd tot een figurant op het Europese toneel. Het land concentreerde zich op de handel met het buitenland en op het vestigen van zijn gezag in Nederlands Indië. Nederland had geen enkele ambitie om zich te bemoeien met de tegenstellingen tussen de omringende grote Europese mogendheden. De Haagse beleidselite realiseerde zich maar al te goed dat het omgekeerde – buitenlandse bemoeienis met Nederland – zeker niet viel uit te sluiten. Na de Frans-Duitse oorlog van 1870- 1871 groeide in politieke en militaire kringen de vrees dat het zojuist verenigde Duitsland wel eens een poging zou kunnen wagen zich meester te maken van de havens en de rijke agrarische gronden van de kleine buurstaat.

De kans op een directe Duitse aanval op Nederland werd echter gering geacht. Eén van de premissen van de neutraliteitspolitiek was namelijk dat Groot-Brittannië en Frankrijk een annexatie van Nederland door Duitsland nooit zouden accepteren. De Haagse beleidsmakers sloten desondanks niet uit dat de Nederlandse neutraliteit zou worden geschonden. Mochten de aartsvijanden Frankrijk en Duitsland opnieuw slaags raken, dan zou laatstgenoemde wel eens kunnen besluiten een deel van zijn strijdmacht door het strategisch gelegen Zuid-Limburg te laten marcheren. Ook achtten Nederlandse politici en militairen het denkbaar dat Groot-Brittannië zijn vloot via de Westerschelde naar Antwerpen zou laten opstomen, om te voorkomen dat deze Belgische havenstad in Duitse handen zou vallen.

Volgens regering en legertop diende Nederland van tevoren duidelijk te maken dat het zich gewapenderhand tegen iedere aantasting van zijn neutraliteit zou verzetten. Een grote mogendheid die de neutraliteit van Nederland had geschonden, zou aldus een deel van haar kostbare troepen en materieel aan de hoofdmacht moeten onttrekken om het verzet van het Nederlandse leger te breken. Het Nederlandse defensiebeleid stoelde in feite op een doodsimpele redenering: hoe meer gewapend verzet een potentiële aanvaller kon verwachten, des te groter de kans dat hij al bij voorbaat zou besluiten dat de mogelijke voordelen van een schending van de neutrale status van Nederland, niet opwogen tegen de vele nadelen.

Regering en legertop waren het er dus over eens dat de Nederlandse neutraliteit een gewapende neutraliteit diende te zijn. Moeyes maakt echter duidelijk dat dit niet automatisch leidde tot overeenstemming over de organisatie van de Nederlandse defensie. De generale staf verlangde van de regering dat zij het leger een behoorlijke financiële armslag zou verschaffen. Alleen op die manier zouden de strijdkrachten hun taak als steunpilaar van de neutraliteitspolitiek op geloofwaardige wijze kunnen vervullen. Op regeringsniveau was men echter zelden bereid de verlangens van de legertop in te willigen. Volgens Moeyes is deze onwil te verklaren uit het feit dat het Nederland ontbreekt aan een ‘martiale traditie’. Het leger is voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking nooit een symbool van nationale trots geweest – eerder worden de strijdkrachten gezien als een financiële last. Politici moesten rekening houden met de weinig krijgshaftige mentaliteit van kiezers.

De met de mond beleden steun aan de neutraliteitspolitiek werd dan ook zelden omgezet in bereidheid tot het brengen van de financiële en maatschappelijke offers die de generale staf verlangde. Moeyes concludeert op basis van deze bevindingen zelfs dat de gewapende neutraliteitspolitiek van de jaren 1839-1940 stoelde op een illusie. Volgens hem is het Nederlandse leger in die periode nooit in staat geweest zijn taak als steunpilaar van de neutraliteitspolitiek op overtuigende wijze te vervullen.

Op de conclusies van Moeyes valt wel wat af te dingen. Hij heeft misschien geen ongelijk met zijn stelling dat de bezuinigingsdrift van de Haagse politici een ondermijnend effect had op de geloofwaardigheid van de gewapende neutraliteit. De vraag die dan overblijft is of Nederland voor een ander veiligheidsbeleid had moeten of kunnen kiezen. Had Nederland moeten opteren voor ongewapende neutraliteit, zoals de vredesbeweging en delen van de sociaal-democratie (en van 1924 tot 1936 ook de linkervleugel van het liberalisme) wensten? Of had Nederland de neutraliteitspolitiek helemaal moeten opgeven door zich aan de zijde van één van de omringende grote mogendheden te scharen? Moeyes biedt de lezer geen antwoorden op deze toch niet onbelangrijke vragen.

Verder heeft Moeyes het ronduit bij het verkeerde eind wanneer hij concludeert dat het Nederland ontbreekt aan een martiale traditie. Natuurlijk, tot op de dag van vandaag associëren veel Nederlanders hun leger liever met ‘vredesmissies’ en ‘wederopbouw’ dan met oorlog en wapengekletter. Dit houdt echter niet in dat Nederlanders sinds 1839 langzamerhand hebben afgeleerd hun leger te beschouwen als geweldsinstrument van de overheid, zoals Moeyes beweert. Hij gaat met deze opvatting volledig voorbij aan het weinig zachtzinnige optreden van de Nederlandse strijdkrachten in Nederlands-Indië. In dat voormalige overzeese gebiedsdeel werden tientallen jaren lang bloedige koloniale oorlogen uitgevochten, de laatste in 1946- 1948. Begin jaren zestig van de vorige eeuw waren nogal wat Haagse politici bereid een oorlog met Indonesië te riskeren om Nieuw Guinea in Nederlandse handen te houden – over een gebrek aan martiale traditie gesproken! Moeyes houdt ook onvoldoende rekening met het feit dat bezuinigingen op het Europese deel van de Nederlandse strijdkrachten vaak bedoeld waren om fondsen vrij te maken voor de verdediging van het kostbare koloniale bezit. Die bezuinigingen waren dus eerder het resultaat van een prioriteitstelling dan van antimilitaristische gevoelens.

In 1994 schreef de geestelijk vader van Lodewijk Stegman dat Nederland weliswaar wereldberoemd is als ‘vredelievende natie’, maar dan toch vooral in eigen ogen. Moeyes is vermoedelijk te veel in de ban geraakt van het brave, maar onjuiste beeld dat veel Nederlanders van hun volksaard koesteren. Uit het feit dat het Nederlandse leger in Europa zelden optreedt als de sterke arm van de overheid (zie de afgang in Srebrenica), mag zeker niet worden geconcludeerd dat Nederlandse militairen, dankzij honderd jaar neutraliteitspolitiek, per definitie geneigd zijn te kiezen voor de zachte hand.