Het raam

Opeens stonden we in de werkkamer van koningin Juliana.

Als dat geen intrigerende beginzin is, dan weet ik het niet meer.

De gids op paleis Soestdijk had ons, vijftien bezoekers in totaal, eerst de naastgelegen werkkamer van prins Bernhard laten zien. Het was er schemerig en leeg, afgezien van enkele boekenplanken. Geen olifantje meer te zien. Wat alleen nog aan de prins herinnerde, was de afdruk van zijn autostuur in de muur – hij had het stuur daar altijd bewaard nadat hij in 1937 met deze auto bijna verongelukt was. De afdruk zat op een smalle strook behang, het enige in deze kamer dat intact was gebleven.

Er is op paleis Soestdijk genoeg te zien, je kunt er zelfs het beroemde bordes tot op enkele meters naderen, maar de privévertrekken zijn zoveel mogelijk ontdaan van alles wat persoonlijk was. Juliana wilde nooit dat mensen te veel van haar privacy zagen, dat gaf maar ‘een vals beeld’.

Toen opende de gids de verbindingsdeur naar de werkkamer van Juliana en ging ons voor. Ook hier heerste schemer doordat de vitrage gesloten was. Des te groter was onze verrassing toen de gids haar praatje onderbrak, naar het raam liep en met een snelle beweging de gordijnen opende. Aaahhhh, zuchtten we uit één mond. Voor ons lag een weids, groen panorama, gevuld met een grote vijver, een spuitende fontein, een eilandje en overal bomen, planten en struiken. De tuin was aangelegd in de Engelse landschapsstijl, grillig, met intieme hoekjes en bruggetjes.

Dit was al die jaren het uitzicht van Juliana geweest, en er was weinig waar ze zó van had genoten. Bernhard had de gordijnen vaak dicht, maar Juliana wilde ze altijd open. In deze kamer was ze op haar uitdrukkelijke wens ook opgebaard. Bernhard wilde na zijn dood in het indrukwekkendste vertrek liggen, de Stuczaal, waar de grote ontvangsten plaatsvonden. Daar zie je ook wel zijn karakter in, zei de gids, en dat had ze niet eens hoeven zeggen.

Een goede gids weet hoe hij de verrassingen moet doseren, dit was zo’n goede gids. Er was nog iets, zei ze, en ze stapte nog dichter naar het grote raam. Ze wees op een knop („niet aankomen, hoor, wij mogen dat zelf ook niet!”) en vertelde dat het raam na een simpele druk op de knop langzaam geheel in de grond zou verzinken. Voor die tijd, de jaren dertig, een knappe technische vondst. Zo kon de koningin vanuit haar werkkamer op een terras stappen – een voorrecht dat Bernhard vanuit zijn kamer niet beschoren was.

Van hieruit liep de koningin naar haar favoriete bomen verderop, die ze allemaal een naam had gegeven.

Ik moest denken aan het filmpje dat we aan het begin van de rondleiding hadden bekeken. Het is een fraaie zomerdag en Juliana doet Bernhard uitgeleide naar zijn auto. „Mooi weer”, zegt ze. „Ja. Dag!” zegt hij terwijl hij monter de trap af huppelt. Hij kan er vandoor – en hij heeft er zin in. Zij zal achterblijven, in deze kamer met dat uitzicht en de bomen verderop.

Het raam kon ook nog halverwege worden stilgezet, hoorde ik de stem van de gids zeggen. Dat was om te voorkomen dat de hondjes er vandoor gingen.

De hondjes, ja, die was ik vergeten.