Het doetje van de decennia

Wat was de gevoelstemperatuur van de jaren zeventig? Het waren de jaren van een ‘grote smoel’ maar ook van een ‘triest gevoel’. Twee boeken over iconen van de lange jaren zestig.

Howard Sounes: Seventies. The Sights, Sounds and Ideas of a Brilliant Decade.Simon and Schuster, 472 blz. €33,–

Ralph Steadman: The Joke is Over. Memories of Hunter S. Thompson. William Heinemann, 396 blz. €35,–

‘In de jaren zestig/ had iedereen zó’n smoel/ nu eten we gebakken peren/ met een triest gevoel’. Die aanklacht kwam uit de keel van Bram Vermeulen, gepassioneerd zanger en toetsenist van het cabaretduo Neerlands hoop. Hij kon het weten. Het jaar was 1978, het kabinet Van Agt-Wiegel was net aangetreden, de hoog opgeschroefde hoop op een linkse ‘maatschappijhervorming’ , waarvan Neerlands hoop de voorhoede had gevormd, leek vervlogen, en ‘progressieve’ rockmuziek maakte plaats voor het politiek vagelijk verdachte nihilisme van punk.

Niettemin is de maatschappijkritische schoktherapie van Neerlands Hoop een snel zinkend cultuurgoed geworden voor Nederlandse cabaretiers, doorgaans helaas van een aanzienlijk lager allooi en een hoge dosis zeer burgerlijke anti-burgerlijkheid – zie Youp van ’t Hek. Zo werkt de typische mengeling van arrogantie, twijfel en zelfspot die kenmerkend was voor de linkse conjunctuur van de jaren zeventig in een verdunde versie door tot op de dag van vandaag. Het waren toen jaren van politieke opwinding en wel degelijk nog van ‘een grote (linkse) smoel’, maar ook van ‘een triest gevoel’ over de domper na de ludieke euforie van de jaren zestig. ‘Een kwart van toen is aan de drugs/ een vierde gesaneerd/ de rest is ofwel ingepakt/ ofwel genuanceerd’, klaagden ‘Bram en Freek’.

Howard Sounes, kind van de jaren zeventig en Bob Dylan-biograaf, heeft een dappere poging gedaan om de populaire cultuur van het tijdperk vast te leggen. Hij zet zich af tegen het beeld van de jaren zeventig als een cultureel niemandsland, dat gedoemd was in de schaduw te blijven van het voorafgaande, bewierookte decennium, en dat zelf niets interessants op cultureel gebied heeft opgeleverd. Daarbij past meteen een bedenking. Het beeld van de jaren zeventig als een doetje onder de decennia, dat altijd achter een grote broer aan heeft moeten lopen, is inderdaad hardnekkig geweest, vooral onder de leden van de jaren zeventig-generatie zelf. Er is ook veel te zeggen voor een tijdsindeling die de ‘lange’ jaren zestig, een tijd van oproer, protest en tegencultuur, die in Nederland bijvoorbeeld pas laat zou eindigen, op 30 april 1980, toen een tamelijk onbestemde laatste jeugdrevolte het kroningsfeest van Beatrix in Amsterdam in een veldslag veranderde.

Dynamiek

Maar historici hebben allang de dynamiek van de jaren zeventig erkend, en het feit dat dit decennium althans in Nederland aanmerkelijk tumultueuzer verliep (treinkapingen, schietpartijen van de RAF, bezettingen van Dennendal en Bloemenhove, het Lockheed-schandaal), en qua gevoelstemperatuur ook ‘linkser’ was (de ‘maatschappijhervormende maatregelen’ van het kabinet- Den Uyl) dan de jaren zestig. In Amerika lag dat anders, ondanks het Watergate-schandaal, omdat dit land betrokken was in een oorlog die vanaf 1965 ontwrichtende binnenlandse gevolgen had maar die begin jaren zeventig, wat betreft het Amerikaanse aandeel, werd afgebouwd.

Sounes klampt zich echter vast aan het cliché van de saaie jaren zeventig, om zijn eigen vondsten meer reliëf te geven. Maar zijn uit de knipselmap getekende portretten van allerlei tijdsgebonden iconen in de film (Scorsese, Coppola, Spielberg, Kubrick), de humor (Woody Allen, Monty Python, Hunter Thompson), de muziek (David Bowie, Bob Marley, Stevie Wonder, Sid Vicious), de beeldende kunst (David Hockney, Gilbert and George, Andy Warhol) en nog veel meer, blijven vooral dat: portretten. Ze zijn herkenbaar, maar nooit verrassend of origineel.

Sounes is dus ironisch genoeg veel te braaf in zijn wens om brave clichés omver te werpen. Opeens paraderen de jaren zeventig toch weer langs als een stoet vervelende, nare en vooral zelfingenomen grappenmakers. Alles is trend en mode, maar wat daarachter schuil ging, gaat Sounes’ competentie te boven: van de ‘briljante ideeën’ uit zijn ondertitel komen we weinig te weten. Jammer, want de jaren zeventig waren de definitieve doorbraak van een sociaal- culturele liberalisering (om het activistische ‘bevrijding’ maar te vermijden), die pas de laatste jaren op haar grenzen is gestuit. Sterke sociale mobiliteit, ontzuiling en politisering, en natuurlijk een democratisering van het hedonisme, dat zijn de ingrediënten van het decennium.

‘Gonzo’-journalistiek

Ralph Steadman heeft zich gelukkig beperkt tot één icoon van de seventies , een vaandeldrager van het door drugs en drank ontregelde levensgevoel. De tekenaar Steadman werd begin jaren zeventig door het tijdschrift Rolling Stone ingeschakeld om illustraties te maken bij de woeste ‘gonzo’-reportages van Hunter S. Thompson, een ‘nieuwe journalist’ die destijds vooral een clowneske versie van zichzelf in zijn stukken opvoerde. De introverte Ierse kunstenaar, die een afkeer koesterde van de luidruchtige Amerikaanse cultuur, en de maniakale schrijver vormden een ideaal jaren-zeventigduo. Steadman werd een held van de tegencultuur met zijn psychotische tekeningen bij Thompsons beste werk, het hilarische Fear and Loathing in Las Vegas (1971). In The Joke is Over doet Steadman ook verslag van zijn latere wederwaardigheden met Thompson, die af en toe tot grootse prestaties van Steadman leidden, maar waarin de schrijver nooit meer zijn eerdere niveau haalde. Voor Steadman was de manier waarop ‘Hunter’ zichzelf tot een fetisj van de populaire cultuur maakte een sterke prikkel (hij tekende tientallen gestoorde portretten van zijn kompaan), maar voor Thompson zelf betekende het een fuik waaruit hij tenslotte niet meer kon ontsnappen.

The Joke is Over is een sympathiek, rijk geïllustreerd maar langdradig boek geworden, waaruit vooral blijkt dat ook Steadman nog steeds in de greep is van Thompsons zelfmythologisering. Tijdens een logeerpartijtje bij de Steadmans, schrijft hij, durfde hun dochtertje haar jas niet uit te doen als de gast in huis was, uit angst voor brand of andere rampen. Nieuw inzicht in Thompsons karakter biedt het boek niet, wel in de zakelijke transacties tussen de twee. Zo klaagt Steadman over de fooi waarmee Rolling Stone hem afscheepte voor zijn illustraties bij Fear and Loathing in Las Vegas (waarvan de nu onbetaalbare originelen bij uitgever- annex-hippiemiljonair Jann Wenner terecht kwamen) en klinkt er zelfs iets van rancune door in zijn bewering dat het boek zonder die tekeningen nooit zo’n status zou hebben gekregen.

Uiteindelijk bleef Steadman, die alsnog rijk werd met boeken over Freud, bloemen en whisky, een bewonderaar van zijn ‘Hunter’. Hij houdt het erop dat Thompsons zelfmoord in 2005, op 67-jarige leeftijd, een protest was tegen het morele verval van Amerika onder George Bush. Het lijkt waarschijnlijker dat de man van ‘gonzo’ uiteindelijk werd ingehaald door zijn verstikkende imago en zichzelf alsnog de rekening van de jaren zeventig presenteerde.