Het betere oorlogsvoeren

Olaf van Nimwegen: ‘Deser landen crijchsvolck’. Het Staatse leger en de militaire revoluties 1588-1688. Bert Bakker, 552 blz. €49,95

Erik Swart: Krijgsvolk. Militaire professionalisering en het ontstaan van het Staatse leger, 1568-1590. AUP, 272 blz. €29,50

Griet Vermeesch: Oorlog, steden en staatsvorming. De grenssteden Gorinchem en Doesburg tijdens de geboorte- eeuw van de Republiek (1570-1680). AUP, 329 blz. €29,50

De militaire ontwikkelingen in de Nederlandse gewesten tijdens de strijd tegen Spanje trekken al lang de aandacht, vooral van buitenlandse historici. Nederland was in hun ogen ‘gidsland’, maar dan voor een keer eens op militair gebied. Over die militaire ontwikkelingen, in de Republiek en in de rest van Europa, en over het belang van oorlogvoering voor de staatsvorming in de vroeg-moderne tijd voeren historici al decennialang een levendig internationaal debat. Het draait allemaal om de these van de ‘militaire revolutie’, waarin de militaire ‘uitvindingen’ en ontwikkelingen in de Nederlandse gewesten de hoofdrol spelen.

Door vernieuwingen op het gebied van bewapening, de constructie van verdedigingswerken, tactiek, organisatie, betaling, discipline en logistiek zou een ‘revolutie’ plaats hebben gehad in legervorming en oorlogvoering in de late 16de en de vroege 17de eeuw, die ook doorwerkte op politiek en staatkundig gebied. Prins Maurits en zijn neef Willem Lodewijk zijn in deze visie belangrijke militaire hervormers die elders navolging vonden. Zij ontwikkelden bijvoorbeeld het salvovuur, waardoor de vuurkracht van legers enorm toenam.

Olaf van Nimwegens indrukwekkende studie ‘Deser landen crijchsvolck’ gaat in op nagenoeg alle aspecten van de oorlogvoering vanaf 1590, toen prins Maurits het bevel kreeg over de troepen van de opstandige gewesten, tot de jaren 1670 toen Willem III, stadhouder van Holland en Zeeland, het leger radicaal reorganiseerde. Hij wil de these van de ‘militaire revolutie’ nader onderzoeken en de bijdrage van de Republiek aan de vernieuwing van de Europese oorlogvoering in de 17de eeuw vaststellen. Dat levert een fascinerend beeld op. Het boek, dat is gebaseerd op omvangrijk archiefonderzoek, is soms overmatig gedetailleerd, maar de grote vragen zijn niet uit het oog verloren. Van Nimwegen legt bijvoorbeeld uit waarom er tijdens de Tachtigjarige Oorlog zo veel belegeringen plaats hadden. Steden waren politiek, financieel (voor het onderhoud van de troepen) en militair (ze hadden altijd een garnizoen en lagen vaak aan water) te belangrijk om ze tijdens een offensief links te laten liggen.

Veldslagen, zoals de beroemde slag bij Nieuwpoort in 1600, waren schaars. Bij verlies was immers de kans groot dat het leger dat met veel pijn en moeite was opgebouwd in één klap verloren ging. Een veldslag diende eigenlijk alleen om een vijandelijk offensief af te stoppen. Een volwaardige ‘militaire revolutie’ ziet Van Nimwegen hier niet, alleen een tactische. De wijze waarop Maurits en Willem Lodewijk de troepen wilden inzetten, gebaseerd op een rationele aanpak, met exercities, nieuwe vuurwapens en in nieuwe formaties, zodat zij een continu salvovuur konden onderhouden, beschouwt hij wel als ‘revolutionair’ en als een voorbeeld voor de rest van Europa.

Continuïteit

Het rampjaar 1672, toen de Republiek een inval van Franse (en andere) troepen het hoofd moest bieden, bracht een verdere professionalisering van het leger. Willem III dwong onder invloed van de nood van het moment ingrijpende militaire hervormingen af. De overheid verbeterde de financiering en nam de officieren in staatsdienst. Op logistiek gebied organiseerde zij een magazijnstelsel, waarbij op bepaalde afstand van elkaar magazijnen met voedsel voor mens en dier werden ingericht waardoor de proviandering van het leger sterk verbeterde en de inzetbaarheid toenam. In korte tijd werd een forse inhaalslag gemaakt. Overigens waren de Fransen met deze vernieuwingen begonnen, en Nederland nam ze over. Van Nimwegen noemt het een ‘nieuwe’ wijze van oorlogvoeren en een ‘organisatorische militaire revolutie’.

Zijn collega-historicus Erik Swart heeft daar andere ideeën over. Van hem mag de hele these van de militaire revolutie worden afgedankt. Swart heeft met Krijgsvolk een bondig, vernieuwend, en verfrissend boek geschreven. Zinnen als ‘Die opvatting is onjuist’ keren nogal eens terug en reputaties worden niet ontzien. Het werk van Geoffrey Parker, een grootheid onder de militair-historici en een van degenen die de these van de militaire revolutie heeft ontwikkeld, wordt zonder pardon en met kracht van argumenten terzijde geschoven.

Swarts boek gaat over de opbouw van de militaire macht van de opstandelingen in de vroegste fase van de opstand (voor 1590). De opstandelingen zouden geen behoorlijk georganiseerde strijdmacht hebben gehad en geen strategische en tactische kennis hebben ontwikkeld, zo is lang gedacht. Swart ziet dat anders. Hij benadrukt de continuïteit tussen de Habsburgse militaire traditie en de organisatie en wijze van optreden van de opstandelingen.

Landsknechten

Interessant is in dit verband het hoofdstuk over de Duitse landsknechten, die tot ver in de 16de eeuw de soldaten leverden. Die landsknechten waren voortreffelijke strijders, maar ook vaak volslagen onhandelbaar. Ze opereerden in corporaties, gedroegen zich onafhankelijk en genoten in heel Europa een beruchte reputatie vanwege hun neiging tot muiterij, plundering en wreedheid. Willem van Oranje wist hen te disciplineren met nieuwe krijgswetten, waarmee het proces werd ingezet ‘van landsknecht tot soldaat’, dat Maurits na 1590 verder ontwikkelde. De opstandige gewesten poogden ook al vroeg maatregelen af te dwingen ter voorkoming van fraude bij het aannemen en uitbetalen van troepen. Kapiteins lieten zich graag uitbetalen voor meer soldaten dan zij onder hun commando hadden.

Bij het begin van de opstand moesten de stedelijke vestingwerken grotendeels worden vervangen. De oude, uit de Middeleeuwen daterende stadsmuren waren niet langer bestand tegen het nieuwe, veel zwaardere geschut. Uiteindelijk kreeg de Republiek een omvangrijk modern stelsel van versterkte steden en schansen. De aanleg ervan was een omvangrijke onderneming, zowel bouwkundig als financieel. De plaatselijk bevolking moest de garnizoenen onderhouden, wat veel geld kostte en bovendien veel ellende met de ingekwartierde soldaten met zich meebracht. De belastingen werden tot recordhoogte opgeschroefd. Hoe de Republiek erin slaagde met nieuwe fiscale en financiële instrumenten dit alles te realiseren is het onderwerp van Griet Vermeesch’ Oorlog, steden en staatsvorming, eveneens een helder geschreven, vernieuwende en fraaie studie.

Vermeesch kiest om verschillende reden de steden Gorinchem (in Holland) en Doesburg (in Gelderland) als voorbeeld. Cruciaal voor het succes was de samenwerking tussen de lokale, gewestelijke en ‘nationale’ overheid. De veel gesmade gedecentraliseerde bestuursstructuur van de Republiek bleek helemaal geen belemmering voor efficiënte samenwerking te zijn. Conflicten waren er volop, maar zij stonden succes niet in de weg. Gorinchem kon aan die samenwerking intensiever deelnemen dan Doesburg. Het kon als stad die in de Staten van Holland vertegenwoordigd was meepraten over het nationale oorlogsbudget, terwijl Doesburg meer afhankelijk was van de initiatieven van bovenlokale autoriteiten. Het nieuwe systeem bracht bovendien veel lucratieve functies met zich mee voor de stedelijke elite (bijvoorbeeld de inning van de belastingen) en het gaf burgers die militairen in huis namen ook de mogelijkheid daaraan te verdienen door een vergoeding (logiesgeld) van de overheid.

Vermeesch verdiepte zich ook in de duurzaamheid van de nieuwe organisatie na 1648. Zij komt tot de conclusie dat het defensiesysteem grotendeels intact bleef. Garnizoenen verdwenen (zoals in Doesburg het geval was), maar belastingen bleven, al waren de burgers na afloop van de oorlog minder bereid die op te brengen. De verdedigingswerken bleven ook overeind. De nieuwe defensieorganisatie, de verbeterde verhouding tussen overheid en leger en tussen civiele bevolking en militairen werd pas later elders in Europa gerealiseerd. De Republiek liep in dit opzicht voorop, juist dankzij het gedecentraliseerde staatsbestel.

    • Jaap de Moor