Generaal op kousenvoeten

De Israëliër Itzik Galili bouwde in Groningen het dansgezelschap NND/Galili Dance op. Zijn nieuwste choreografie ‘Heads or Tales’ ging afgelopen weekend in première. „Ik heb nooit het gevoel dat ik iets bereikt heb.”

Itzik Galili foto Sake Elzinga Nederland - Groningen - 08-01-2007 Choreograaf Itzik Galili tijdens de repetities van zijn dansgezelschap Galili Dance. Foto : Sake Elzinga Elzinga, Sake

‘Ik ben een gespleten mens. In Nederland werk ik, ik voel me hier op mijn gemak. Maar ik hou van Israël. Daar wonen mijn drie kinderen en mijn partner, ik heb er vrienden. Ik heb het land ooit verlaten omdat ik de wereld wilde veroveren, ik wilde Kristoffel Columbus zijn. En ik was verliefd op een vrouw in Amsterdam. Nu wordt me constant naar mijn mening over Israël gevraagd. Ik verdedig het, maar ik kritiseer het ook. Dat begrijpen mensen niet. Voor hen is het alsof ik het land vertegenwoordig. Mijn choreografie For Heaven’s Sake wordt al sinds de première in 2001 als een stuk over Israël opgevat, terwijl het dat niet is. Het gaat over oorlog in het algemeen, over twee landen in conflict. De eerste ideeën ervoor kreeg ik nota bene in Bilbao, waar op het moment dat ik er was een bomaanslag plaatsvond. Maar mensen zien toch wat ze willen zien. De wereld stikt van de onzinverhalen.”

Aan het woord is choreograaf Itzik Galili (Tel Aviv, 1961), en Itzik Galili ergert zich. Aan vooroordelen, aan kortzichtigheid, aan zijn eigen imago. Tien jaar geleden werd hij als veelbelovende freelance choreograaf uitverkoren om met overheidssteun een dansvoorziening voor ‘het Noorden’ van de grond te tillen, in Groningen. Sindsdien bouwt hij daar met zijn gezelschap NND/Galili Dance gestaag verder aan een oeuvre van aardse, acrobatische, vaak door gesproken tekst ondersteunde choreografieën.

Wie de groep op een maandagmiddag aan het werk ziet tijdens een repetitie in de voormalige drukkerij waar NND/Galili Dance gehuisvest is, krijgt het gevoel naar een familie te kijken. Potige, vroegwijze, jonge volwassenen zijn dit, met bol getrainde spieren en een ernstige, diepe blik in hun ogen. Ze dragen vaal gewassen trainingskleren, hun haar doet wat het wil. Vier van de jongens hebben een kaalgeschoren kop. Galili zelf ook. Hij loopt tussen zijn dansers rond als een generaal tussen zijn soldaten – maar dan wel eentje op kousenvoeten, met een fluwelen stem.

Als Galili iets gedaan wil krijgen, volstaat een kalm „Please?”, een zacht „Thank you” of een licht zuchtend „O, por favor…”, en het gebeurt. Een moment van verslapte aandacht wordt met „Yoohoo, wakey wakey!” doorbroken, een wijsvinger die van links naar rechts beweegt vertelt alle aanwezigen dat het niet goed ging, net. En als Galili zijn eigen aanwijzingen opeens onderbreekt om zwijgend een dansfragment uit te denken, wordt en blijft het muisstil.

„Wat een cliché”, luidt Galili’s vriendelijke, maar niet mis te verstane antwoord op mijn vraag of hij zijn dansers ook op uiterlijk selecteert, om zijn groep een bepaalde ‘look’ te geven. „Ik kies mensen op hun persoonlijkheid. Bij een auditie is het gesprek dat we voeren het belangrijkste. Dans, of althans mijn vorm van dans, is gebaseerd op uitwisseling, communicatie. Mijn dansers moeten in contact staan met zichzelf, en ze moeten vragen aankunnen. Om boekenwijsheid geef ik niet.”

Op het station van

Groningen, in snackbarlicht, ziet Galili er opeens een beetje verwelkt uit, melancholiek. Heads or Tales, de jubileumvoorstelling waaraan behalve zijn tien eigen dansers ook tien studenten van de Rotterdamse Danscacademie meedoen, baart hem kopzorgen. Hij verloor drie van de negen repetitieweken aan griep, en dus is er nu haast. Aan de dagelijkse repetitie van tien tot zes plakt hij nog uren van overleg vast, met zijn staf, met de technici of, zoals vandaag, met de muzikanten van slagwerkgroep Percossa, die de voorstelling live zullen begeleiden en die nu zijn laatste instructies afwachten. Een interview kan alleen op de valreep, vlak voordat de verslaggever weer richting Randstad vertrekt.

Dat is nog zo’n ergernis van Galili: de vermeende grote afstand tussen Groningen en de rest van Nederland. „Geklaag over reistijden vind ik gezeur. Daar moet je maar aan wennen. Wij touren constant het hele land door. In de Randstad zitten de dansgezelschappen elkaar in de weg, het zijn er teveel. De oplossing is simpel: als je elke groep aan één bepaald theater in een kleinere stad koppelt en als voorwaarde voor hun subsidie stelt dat ze dat een aantal keer per jaar bespelen, komt het goed.”

Over zijn stijl van leidinggeven wil hij aanvankelijk niets zeggen, „dat vraag je aan de verkeerde.” Hij spiedt voortdurend door het raam naar buiten, om te kijken of de motor waarop hij door Groningen crosst niet uit de fietsenstalling gejat wordt. Er komt een kipburger. Dan antwoordt hij toch. „Ik wilde graag met de studenten werken. Mijn band met de Rotterdamse Dansacademie is al jaren heel goed, en ik loop al langer rond met een plan voor een post-graduate programma voor net afgestudeerde dansers. Daarvoor kreeg ik tot nu toe niet genoeg geld los, maar deze voorstelling zie ik als een testcase. Door de komst van die kids verandert de hele sfeer. Ik moet veel directer zijn, ik moet ze een beetje provoceren om ze naar een hoger niveau te tillen. Uiteindelijk moet het één groep worden, waarbij je geen onderlinge verschillen ziet. Dan heb ik mijn werk goed gedaan.

„In Israël heb ik drie jaar in militaire dienst gezeten en het voornaamste wat ik daar geleerd heb is het verschil tussen orders opvolgen en orders geven. Orders geven gaat het beste aan jonge mensen. Die zijn onsterfelijk, ze kennen geen doodsangst. Oudere mensen zijn moeilijker te commanderen. Daarom lijven religieuze groepen ook het liefst jonge mensen in.”

Galili is autodidact. In achteloos staccato somt hij de feiten uit zijn jeugd in Tel Aviv nog eens op: vader verlaat moeder, moeder wordt krankzinnig, Itzik en zijn broers zwerven op straat en komen in tehuizen terecht. „Ik was een bad boy”, zegt hij met een glimlachje. Vanaf zijn twaalfde ging hij niet meer naar school. Het leger bood hem een eerste sociale structuur. Toen hij daar op zijn 21ste uitkwam, was zijn mentale weerstand „krankzinnig hoog”. Een danser was hij nog niet; dat werd hij toevallig, nadat hij tijdens het volksdansen was opgemerkt door een aan de Batsheva Dance Company verbonden ballerina. In minder dan een jaar tijd vormde hij zich om tot moderne danser, en weer vijf jaar later maakte hij zijn eerste choreografie, een duet over twee van elkaar vervreemde broers.

Wat vond hij

in de dans? Maakte het hem gelukkig? Hij veert op bij het woord, met een blik die zegt: bespot me niet, geluk bestaat niet, dat weet je net zo goed als ik. „Het beroep van danser is een van de meest vernederende die er bestaan. Het duurt het kortst, het is voor de meesten zonder enige beloning en het staat in laag aanzien, nog lager dan acteren of mime. In Nederland zijn de omstandigheden relatief gunstig. In andere landen lijden dansers honger, en hebben ze stomme bijbaantjes.”

„Maar dans kan iets wat maar weinig andere kunstvormen kunnen. Het kan precies jouw gevoel vertolken zonder dat je de makers leert kennen. Iemand heeft me gezien, denk je na een goede dansvoorstelling, iemand heeft gevoeld wat ik voel. Het kwam uit jou, en daar, op het podium, was het.

„De titel Heads or Tales verwijst naar een misverstand over mij: dat al mijn werk rauw en intuïtief zou zijn. Terwijl ik óók verhalen vertel. Elk nieuw werk is de uitkomst van een gevecht tussen mijn drang om iets te vertellen en mijn guts.”

Guts, in de dubbele betekenis van instinct en lef, is voor een Galili-danser een vereiste. ’s Middags, tijdens de repetitie, doet Galili zelf voor hoe je, door nét naast iemands op de grond uitgestrekte arm te springen, de illusie kunt wekken dat je die arm breekt. Even later geeft een koppel elkaar tijdens een wilde wals per ongeluk een harde kopstoot. De jongen bevoelt zijn schedel, wrijft er even over, en besluit dan: niks aan de hand. Het meisje houdt de linkerhelft van haar gezicht bedekt, en gebaart naar Galili dat ze alleen nog rechts iets kan zien. Hij komt voor haar staan. Ze praten even, hij wappert met zijn handen voor haar ogen, en nog geen minuut later stapt ze terug in haar rol. Incident voorbij. Op de achtergrond doen twee meisjes synchroon push-ups.

„Tevreden ben ik nooit”, zegt Galili ’s avonds. Hij heeft meer dan vijftig choreografieën gemaakt, werd vorig jaar geridderd door de stad Groningen en won verschillende dansprijzen. „Ik heb nooit het gevoel dat ik iets bereikt heb. Soms rust ik even uit. Maar ik ‘ben’ er nooit.”

Galili Dance: ‘Heads or Tales’. Première 26/1, 20.15 uur in het Lucent Danstheater, Den Haag. Tournee t/m 19/5. Inl. tel. 050-5799441 of www.galilidance.com.