Een goeie rendiermop

Karen Duve: De ontvoerde prinses. Vertaald door Gerrit Bussink. De Geus, 387 blz. € 22,50

Karen Duve: De ontvoerde prinses. Vertaald door Gerrit Bussink. De Geus, 387 blz. € 22,50

In haar roman De ontvoerde prinses heeft de Duitse schrijfster Karen Duve (1961) haar niet geringe talenten aangewend voor het schrijven van een ‘modern sprookje’. Met een superieur overwicht op de stof beschrijft zij de liefdesperikelen van prinsessen en het trainen van draken –en dat allemaal in de context van de strijd tussen het mistige Noordland en het zwoele, zuidelijker gelegen Baskarië. Een overwerkte literatuurwetenschapper zou kunnen opmerken dat Duve’s roman een interessante compilatie is tussen verschillende oud-Germaanse legenden en de vertellingen van Duizend-en-één- nacht; de lezer laat de onophoudelijke stroom gekkigheid gewoon over zich heen komen.

De verhaallijn doet er eigenlijk niet zoveel toe. Om toch een idee te geven: de beeldschone prinses Lisvana van het Noordland moet trouwen. Het probleem is echter dat haar bruidsschat bestaat uit een muffe strook moerasland, wat zilveren lepels en twintig inheemse logge paarden. Tijdens de lange winters in het Noordland bieden alleen de hofdwerg Pedsi en de jaarlijks terugkerende strijd met het Nevelrijk enige ontspanning. Bovendien heeft Lisvana een vader die zijn naasten regelmatig lastig valt met rendiermoppen. Het is daarom niet verbazingwekkend dat als de schatrijke Baskarische prins Diego de prinses een huwelijksaanzoek doet, zij haar minnaar, ridder Bredur, aan de kant zet. Het verschil van mening tussen Diego en Bredur over Lisvana’s toekomstige echtgenoot ontaardt in een oorlog tussen beide rijken.

Duve beoogt niet om de lezer te verdrinken in een zelfgecreëerd universum. Haar recept is simpel. In haar roman projecteert de schrijfster een moderne vrouwenbladen-psychologie op de geschetste sprookjestoestand. Het is in De ontvoerde prinses nauwelijks merkbaar dat de mens uit deze bladen is vervangen door een dwerg die lijdt aan zelfoverschatting, een prinses die ‘hard to get’ speelt en een prins met een moedercomplex. Omdat Duve dit trucje volmaakt beheerst, kan ook de veeleisende lezer niets anders doen dan zich schikken. Tegen zoveel consequente vrolijkheid bestaat geen verweer.

De ontvoerde prinses biedt geen verassende inzichten, maar het sprookje wordt nergens flauwekul. Hoewel Duve’s nonchalante stijl met veel ‘of zoietsen’ en ‘dat soort dingen’ op de eerste bladzijden voor ongewenste jovialiteit doet vrezen, kan vervolgens opgelucht worden geconstateerd dat haar ironie bijna altijd raak is. Je zou de schrijfster natuurlijk kunnen adviseren om in haar volgende boek een bepaald onderwerp aan de kaak te stellen, maar wie wil nou spelbreker zijn?