Desperanto

Karl Kraus tekening van Oskar Kokoschka uit 1909

Negenennegentig jaar geleden verscheen er al een lexicon dat het predikaat ‘Vertaliaans’ zou verdienen. In 1908 begon de Oostenrijkse satiricus Karl Kraus namelijk met de publicatie van een aantal Übersetzungen aus Harden, vertalingen uit het Hardens, het bloemrijke en hoogdravende taaleigen van de invloedrijke Berlijnse journalist Maximilian Harden, dat door Kraus omgezet werd naar het Duits dat iedereen begreep.

In de linkerkolom plantte hij de stijlbloempjes van Harden, in de rechter zette hij de vertaling. Als Harden het bijvoorbeeld heeft over ‘de volgelingen van de heilige Fiakrius’, vertaalt Kraus dat met het even heldere als doeltreffende mot juste et bien placé ‘koetsiers’. ‘De stad van Constantijn’ is gewoon Constantinopel en met ‘de Kanaalneef’ wordt Engeland bedoeld.

Na een aantal vrolijke afleveringen van deze vertaalexercities in Kraus’ tijdschrift Die Fackel, wordt de toon grimmiger. Hij ziet Hardens stijl dan niet meer als een aangeboren afwijking, waar je om kunt lachen (of niet), maar als een middel om zaken te verhullen. De rubriek gaat ‘Desperanto’ heten en Kraus vertaalt niet alleen meer de stijlbloempjes, maar ook de achterliggende gedachte en de verborgen bedoeling. In die zin is elke satiricus een vertaler.

„De Oostenrijkers konden rustig naar Saloniki wandelen als het stevig aan de flank van de Britse leeuw geklonken Russenrijk eindelijk de Pontuskooi werd geopend”, schreef Harden, tamelijk raadselachtig maar poëtisch. Kraus vertaalt de achterliggende gedachte aldus: „beeld van een zoölogisch-politieke verwarring” en slaat daarmee de spijker op zijn kop. Want Harden zegt eigenlijk dat Oostenrijk zijn invloed op de Balkan best kan uitbreiden als in ruil daarvoor Rusland, dat nu nog met Engeland verbonden is, vrije doorgang door de Bosporus krijgt. Met andere woorden: een fraai staaltje oorlogshitserij verstopt in de eufemystiek van een zoölogische metafoor.

Met zijn vertalingen rukte Kraus de maskers van de mooie woorden af. Maar het is nog erger als die mooie woorden nog lelijk zijn ook. En dan denken we natuurlijk meteen aan het Balkenends dat twee maanden geleden onder de loep werd genomen door de columnist Jan Blokker, die een begin maakte met een heuse woordenlijst Balkenends-Nederlands.

Hij signaleerde de woorden ‘aangeven’ voor ‘zeggen’ (‘ik heb namens het CDA aangegeven dat...’) en ‘meekrijgen’ voor ‘horen’ (‘ik heb van het CDA meegekregen dat...’). Zo blijf je altijd buiten schot.

„U hebt dat toch gezegd?”

„Nee, dat hebt u mij niet horen zeggen. Ik heb het alleen maar aangegeven.”

„Ze hebben het u toch verteld. U hebt het toch gehoord? U weet het toch?”

„Nee, ik heb het alleen maar meegekregen.”

Als je erop gaat letten, kom je ze overal tegen, die vergoelijkende eufemismen die gewoon schreeuwen om een vertaling. De NS roept sinds kort niet meer om dat een trein vertraging heeft, maar dat uw desbetreffende trein zal vertrekken ‘over plusminus tien minuten’. Als er in Afghanistan gedood mag worden door onze jongens ter plekke, dan heet dat een ‘robuust mandaat’. Om te voorkomen dat dergelijke woorden afglijden naar de totale nietszeggendheid, is vertaling geboden. Het gaat immers niet alleen om de betekeniswaarde, maar ook om de gevoelswaarde, niet alleen om de denotatie maar ook om de connotatie.

Ga in discussie met Henkes en Bindervoet op hun weblog: www.nrc.nl/vertalie