Culturele gedragscode

Er is grote verscheidenheid in de manier waarop de 3.500 culturele instellingen in Nederland worden bestuurd. Dat kan ook niet anders. Een lokaal theatertje dat door een excentrieke, bevlogen initiatiefnemer is opgebouwd, werkt anders dan het wereldberoemde Concertgebouworkest. Bij een kleine, lokale gesubsidieerde instelling die van vrijwilligers afhankelijk is, zullen verbanden tussen mensen die elkaar allang kennen een grotere rol moeten spelen dan bij een grote, zuiver professionele organisatie past. Toch zullen beide soorten instellingen zich moeten oriënteren op de nieuwe gedragscode voor behoorlijk bestuur, die door een speciale werkgroep ‘Cultural Governance’ in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is gemaakt.

De commissie heeft een belangrijk stuk gemaakt, waarop besturen, directies en raden van toezicht bij de organisatie van hun activiteiten, bij twijfel over de eigen beslissingen of bij conflicten een beroep kunnen doen. Er worden drie bestuursmodellen in gepresenteerd. Kunstinstellingen zijn vaak stichtingen die van zichzelf al besloten en weinig inzichtelijk zijn. Degenen die daarvan deel uitmaken, zijn vaak vrij om de organisatie naar eigen oordeel en door middel van coöptatie van bekenden in te richten. De buitenwereld heeft er dikwijls geen greep op. Bij een instelling die het grotendeels van belastinggeld moet hebben, kan dat dubieus zijn.

De gedragscode lijkt vanzelfsprekend, maar bij kunstinstellingen wordt hij lang niet altijd nageleefd. Veel conflicten komen voort uit schending van deze beginselen. Raden van toezicht bemoeien zich te vaak met de artistieke inhoud van beslissingen in plaats van met de begroting en de jaarcijfers. Ook financiële sponsors kunnen zich met de artistieke inhoud bemoeien. Dat is het geval in Amsterdam waar de belangrijkste sponsor ABN Amro een contract heeft gesloten met het Stedelijk Museum, dat aanvankelijk geheim werd gehouden. De topman van die bank heeft dat contract als voorzitter van de raad van toezicht goedgekeurd. Helaas valt sponsoring onder een andere speciale code.

Het ministerie heeft er verstandig aan gedaan de opgestelde gedragscode voorlopig nog niet dwingend aan de culturele instellingen op te leggen. Deze moeten zich eerst de regels eigen maken. Grote professionele instellingen die veel subsidie ontvangen, zullen zich eerder strikt aan de regels moeten houden dan kleine, die na het verlopen van een bestuurstermijn soms moeite hebben met het zoeken van nieuwe onbezoldigde bestuurders. Om het enthousiasme bij kleinschalige initiatieven niet af te remmen door formaliteiten heeft de Haagse wethouder Jetta Kleinsma terecht bepleit om de code vanaf een bepaald minimumbedrag aan subsidie te laten gelden.

Een keurmerk voor instellingen die zich aan de culturele gedragscode houden, is een goed begin. Sponsoren weten dan waar ze hun geld in steken en wat voor eisen ze kunnen stellen. Het zou goed zijn als de code voor financiële sponsoring bij de Cultural Governance werd ondergebracht met de mogelijkheid van openbare klachtprocedures. Dan kunnen besloten stichtingen en instellingen aan de hand van heldere normen een openbaar karakter krijgen.