Alsjeblieft: 600.000 woorden

Voor de nieuwe roman van Thomas Pynchon moet men weken uittrekken. Want zijn labyrint van feiten en fantastische verzinsels is even humoristisch als verwarrend.

Thomas Pynchon: Against the Day. Penguin, 1085 blz. €30,–

De boeken van Thomas Pynchon zijn geen boeken voor op het nachtkastje, om er af en toe een paar pagina’s van te genieten alvorens in te dutten. En zeker deze nieuwe roman, in diverse opzichten nog omvangrijker dan zijn vroegere werk, is een boek waaraan men zich committeert, en dat eisen stelt aan de lezer. Tijdens de weken die hij of zij met dit boek doorbrengt zullen er onvermijdelijk allerlei metaforen bij de lezer opkomen. Zoals: Against the Day is als een megalomaan zandkasteel, een bizar doorgefokte rashond, een doos met maar gedeeltelijk ontplofbaar vuurwerk, een door een satanische geest ontworpen legpuzzel. Concreter gezegd, voorzover mogelijk, is het boek een vormloze kolos, met een bezetting van vele tientallen personages, anarchisten, messenwerpers, wiskundigen, ballonvaarders, huurmoordenaars, spionnen, genadeloze kapitalisten, kaartleggers en wat al niet, waarvan de meesten soms zo lang uit beeld verdwijnen dat je ze alweer vergeten bent wanneer ze terugkeren.

Uiteindelijk, zo blijkt tegen het einde van het boek, laat de essentie van het verhaal zich wel enigszins samenvatten als de geschiedenis van de familie Traverse. Vader Webb is een anarchist wiens voorkeurswapen de dynamietstaaf is. Als hij, in opdracht van de cynische tycoon Scarsdale Vibe door twee huurmoordenaars wordt gedood, gaan zijn drie zonen Kit, Frank en Reef onafhankelijk van elkaar op pad om hun vader te wreken. Dat brengt ze de volgende decennia naar alle uithoeken van de wereld, maar wraak is doorgaans allang niet meer het motief van hun reislust. Dat hun zuster Lake verliefd wordt op een van de beide moordenaars lijkt allerminst een complicatie maar eerder een intrigerend zijspoor, dat overigens, zoals bijna alles in dit boek, verhaaltechnisch een dood spoor blijkt te zijn.

Maar met deze samenvatting wordt Against the Day gesimplificeerd. De zojuist genoemde karakters behoren tot de weinigen die ook werkelijk contouren hebben, de tientallen anderen die het boek bevolken zijn hoofdzakelijk sprekende poppen wier lot de lezer grotendeels koud laat. Maar in dat opzicht lijken de pretenties van de auteur ook niet verder te reiken, gezien het feit dat hij deze mensen vaudeville-namen geeft als Darby Suckling, Cyprian Latewood, Lube Carnal, Lindsay Noseworth, Ruperta Chirpingdon-Groin, Lord Overlunch en Doggo Spokeshave. De enige andere personages die Pynchon boven deze massa figuranten wenst uit te tillen, zijn twee fatale vrouwen van uiteenlopende herkomst, Dahlia (‘Dally’) Rideout en Yashmeen Halfcourt. Hun lot blijkt soms wel, en vervolgens ook weer niet, met dat van de zoons Traverse verbonden.

Boven hen allen uit zweeft, letterlijk, een vrolijk ballonvaardersgezelschap genaamd The Chums of Chance dat er door verschillende schimmige opdrachtgevers op uit wordt gestuurd om al even schimmige opdrachten uit te voeren. Het boek begint met hun landing op de Wereldtentoonstelling in Chicago in 1893, eindigt in 1920, en zwermt uit over zowat alle continenten. In Amerika zijn het de jaren van het wilde kapitalisme, militante stakingen, heftige arbeidsdisputen. In Europa zijn het de jaren van en voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie. En ten zuiden van de grens van de VS staat de Mexicaanse Revolutie op uitbreken. Zo waaiert de vertelling uit, doorgaans in de vorm van de meest uiteenlopende spionage-avonturen, van Wenen naar Colorado, van Venetië naar Mexico, van Centraal-Azië naar de Balkan.

Pynchon schept er een genoegen in die hele wereld ook te beschrijven als een globaal dorp, waarbinnen de karakters elkaar plotseling, op duizenden kilometers afstand van hun vorige ontmoeting, weer tegen het lijf lopen. Het woord onwaarschijnlijkheid past niet in Pynchons vocabulaire en hij lijkt zich zelfs te verkneukelen bij de talloze keren dat hij het zinnetje ‘and who’d they happen to run into but...’ neerschrijft.

Maar ook daarmee is slechts een deel van de ontwikkelingen samengevat. Want deze decennia rond de eeuwwisseling waren ook de tijd van ongebreidelde wetenschappelijke activiteit en nieuwsgierigheid. Het is ondoenlijk in dit bestek zelfs maar een poging te doen de experimenten, de controverses en discussies die Pynchon beschrijft samen te vatten. Hij heeft zich ongetwijfeld in indrukwekkende mate gedocumenteerd, maar al die achtergrondkennis is zelden to the point omdat het hem maar af en toe lukt er romanmateriaal van te maken. Veel te vaak is het bravoure, grenzend aan imponeergedrag.

Tijdmachines

Wat blijft hangen is het beeld van een tijd waarin van alles mogelijk leek, van het creëren van tijdmachines tot aan onderzeeërs verwante vehikels die zich onder het woestijnzand voortbewegen. Licht, gas, tijd, alles was onderwerp van onderzoek in dit Pynchoniaanse universum, en concurrerende scholen van mathematici, de Vectoristen en de Quaternionisten, gingen elkaar te lijf als gewelddadige sektes.

Zoals de lijst van personages behalve de fictieve ‘hoofdpersonen’ ook een indrukwekkend aantal historische figuren omvat (zoals de natuurkundige Nikola Tesla en Aartshertog Franz Ferdinand, zij het in de gedaante van een genieter van Chicago’s nachtleven), zo worden historische gebeurtenissen ook afgewisseld met de meest fantastische verzinsels. Uiteindelijk doet het er in een roman niet toe of de Campanile op het Piazza San Marco werkelijk is ingestort in 1902 (waar), of omstreeks die tijd een geïmporteerde meteoriet in New York een verwoestende ontploffing veroorzaakte (niet waar), of dat er zich in Centraal-Azië in 1908 iets voordeed dat in dit boek wordt aangeduid als The Tunguska Event, een explosie met niet geheel bekende oorzaak (waar). Dat behoort allemaal tot de vrijheden waar een schrijver zich met zijn lezers naar believen in kan verlustigen, zeker als er zo met het begrip ‘tijd’ wordt gespeeld als in dit boek. Maar waar bijvoorbeeld een auteur als Doctorow, met ook een voorkeur voor historische thema’s, in een boek als Ragtime fictie en geschiedenis tot een elkaar bevruchtende mix weet te verheffen raakt Pynchon gaandeweg verstrikt in zijn constructies en verliest hij zich veel te veel in uitweidingen.

Met dit alles wil niet gesuggereerd zijn dat Pynchon niet ook zijn lichtvoetige kanten laat zien, of dat hij geen humor heeft. Soms zijn zijn literaire grappen leuk, maar doorgaans voel je ze al mijlenver aankomen. Merkwaardig dat een auteur die zoveel van zijn lezers eist, ze juist op dit punt zo onderschat. Ik hoef niet steeds uitgelegd te krijgen in welke opzichten de twee elkaar beconcurrerende geleerden Renfrew en Werfner ook elkaars tegendeel zijn, en ik ontdek liever zelf dat de Las Animas-Huerfano Delegation of the Industrial Defense Alliance zich acronymisch laat lezen als LAHDIDA. Pynchon voelt zich ook niet boven een stevige portie seks verheven, integendeel zelfs, met een uiterst pikante variant van kunstmatige inseminatie op pagina 882 als hoogtepunt.

Ook valt er wel degelijk plezier te beleven aan Pynchons niet aflatende spel met verschillende verhaalstijlen. Zo zijn de episodes over de Chums of Chance geschreven in een archaïsche jongensboekentoon (er is zelfs sprake van een hele serie aan hen gewijde boeken, met titels als The Chums of Chance and the Wrath of the Yellow Fang.). En in de hoofdstukken die zich in het Wilde Westen afspelen klinkt onmiskenbaar de stijl van schrijvers als Larry McMurtry maar ook western-auteurs van lager allooi door.

Occulte episodes

Against the Day is een boek dat uiteindelijk niet eens de eretitel ‘een grandioze mislukking’ verdient. En toch, en toch... Wie de moeite doet zich erdoorheen te werken, de paar relevante lijnen vast te houden, de occulte episodes te verstouwen, zin te geven aan de mathematische discussies en wetenschappelijke experimenten wordt, juist op de momenten dat de ergernis fataal lijkt toe te slaan, beloond met fragmenten van briljant proza, niet zelden in zinnen van een pagina lang. De beschrijving van het licht in Venetië, de meisjes van het Amerikaanse Midwest, de broeierigheid van het naoorlogse Thessaloniki, het is allemaal groots en beeldend, je zou het willen savoureren maar je moet door, door – er zijn nog vele honderden pagina’s te gaan.

Pynchon behoort, in de woorden van Gore Vidal, tot het slag schrijvers ‘wier boeken niet bedoeld zijn om gelezen te worden maar om onderwezen te worden.’ Dat lijkt me wat al te vilein geformuleerd. Wie van Nabokovs latere werk houdt zal zeker beloond worden met een close-reading van bepaald ook niet makkelijke vorige Pynchon-romans als Gravity’s Rainbow en zijn meest recente Mason&Dixon. Maar ik vraag me af of Pynchon zelfs zijn hardnekkkigste bewonderaars een plezier doet met deze roman. Against the Day is groot zonder groots te zijn, ontstijgt in zijn eindeloze mathematische verhandelingen zelden het ‘kijk mij eens’-niveau, is vormloos in een mate die vermoeit in plaats van nieuwsgierig maakt. Nergens is sprake van een dwingende ontwikkeling, alle verhaallijnen ontrollen zich met een willekeur waaruit bijna dedain voor de lezer spreekt.

Typerend is de manier waarop het boek eindigt, zonder enige poging tot afronding, maar bijna lusteloos, alsof Pynchon na bijna elfhonderd pagina’s en zo'n zeshonderdduizendwoorden zelf ook geen fut meer had.