Verglaasd zeewier beschermde botjes

Zeewier speelde een belangrijke rol in de prehistorische crematierituelen op de Britse Orkney-eilanden. In de Late Steentijd en de Bronstijd werd het gebruikt om zelfs de kleinste botresten van de overledene na de crematie te kunnen terugvinden in de as.

Het zeewier vormde na verhitting en vermenging met zand een glasachtige beschermende laag rond minuscule botfragmenten. Na afloop van de crematie werd al het materiaal met de grotere crematieresten in een graf bijgezet. Tot die conclusie komen onderzoekers van Scottish Analytical Services for Art and Archaeology en de Universiteit van Glasgow in het februarinummer van de Oxford Archaeological Journal.

Al sinds de negentiende eeuw wordt op de eilanden ten noorden van Schotland in crematiegraven uit de periode 3500-1500 vóór Christus glasachtig materiaal gevonden. Het gaat om brosse stukjes die meestal niet groter zijn dan één tot twee centimeter. Aan de buitenkant varieert de kleur van groen- en blauwachtig tot beige en bruin, van binnen zijn de stukjes glas grijs. Cramp worden ze in het lokale dialect genoemd. Lang werd gedacht dat het ontstaan was door gebruik van zeewier als brandstof bij crematies. Maar microscopisch en chemisch onderzoek maakt nu duidelijk dat cramp kleine stukjes menselijk bot bevat. Dat kan alleen zijn gebeurd als vóór de crematie zeewier op een zandachtige ondergrond onder de brandstapel met het lijk is gelegd. Het zeewier en het zand vormden vervolgens door de hitte van het vuur de vloeibare massa waarin fragmenten van de door de hitte gebarsten botten konden worden opgevangen.

De onderzoekers verwachten dat dit systeem ook elders langs Europese kusten zal zijn gebruikt.