Nederlands zelfmarginalisering

In 2003 deed zich een splitsing voor in de Europese Unie. Een deel van haar leden – Frankrijk, Duitsland, België en Luxemburg – sprak zich uit tegen de Amerikaanse actie in Irak. De rest sloot zich daar niet bij aan of verklaarde zich zelfs solidair met de Verenigde Staten. Dit leidde tot een woede-uitbarsting bij Chirac.

Vorige week kwamen achttien leden van de EU in Madrid bij elkaar. Het waren zij die het grondwettelijk verdrag hadden geratificeerd, aangevuld met Ierland en Portugal. De anderen, zij die dit nog niet hadden gedaan, dan wel het hadden verworpen (Nederland en Frankrijk), waren niet uitgenodigd. Kondigt zich een nieuwe en andere splitsing aan?

In elk geval zullen alle 27 leden van de EU elkaar op 24 en 25 maart in Berlijn ontmoeten, omdat het dan vijftig jaar geleden zal zijn dat in Rome het verdrag werd getekend dat ten grondslag ligt aan de Europese Unie. Zal Nederland dan enige duidelijkheid kunnen verschaffen over hoe het nu verder moet? Tot dusver heeft het zich ertoe bepaald te zeggen dat het het verworpen verdrag in elk geval niet opnieuw ter ratificering aan de bevoegde organen zal voorleggen. Maar daaraan vooraf gaat de vraag: kan Nederland in Berlijn met een standpunt voor den dag komen?

Op dit ogenblik heeft Nederland immers nog geen kabinet, en het is kort dag. Stel dat het nieuwe kabinet er in de loop van februari zal zijn, dan heeft dit op z’n hoogst vier weken de tijd om tot zo’n standpunt te komen. Lukt dit niet, dan zal het ook in Berlijn weer stommetje moeten spelen, althans geen woord kunnen uitbrengen dat anderen tot luisteren dwingt. Het proces van zelfmarginalisatie zet zich dan voort.

Maar stel – tweede hypothese – dat de EU in Berlijn, of in de maanden daarna, erin slaagt uit de impasse inzake het grondwettelijk verdrag te komen. Het resultaat zal dan in Nederland ter ratificatie voorgelegd worden – hetzij aan de organen die er krachtens de Nederlandse grondwet toe bevoegd zijn, hetzij bij referendum aan de bevolking, zoals op 1 juni 2005.

Als in 2005 de eerste weg zou zijn bewandeld, dan zou het Europese verdrag zijn geratificeerd. In de Kamer had immers een grote meerderheid zich ervoor uitgesproken. Maar in een vlaag van zelftwijfel – om niet te zeggen: lafheid – deden Kamer en kabinet afstand van hun verantwoordelijkheid en gaven zij aan de bevolking het recht op het beslissende woord. Het resultaat was dat het verdrag verworpen werd.

Daarmee werd een fatale stap gezet. Zeker van een kabinet onder Balkenende kan niet verwacht worden dat het erkennen zal dat het voorgaande kabinet-Balkenende een vergissing heeft begaan door toe te stemmen in een referendum. Nederland zit dus aan het referendum vast. Dit zo zijnde, worden allerlei trucs bedacht om een referendum deze keer wél de gewenste uitslag te laten krijgen.

Zo wordt gezegd dat de voorlichting beter moet zijn dan zij in 2005 was. Die voorlichting was zeker voor verbetering vatbaar, maar te denken dat voorlichting – welke voorlichting dan ook – als een deus ex machina kan oplappen wat een beleid heeft verknald, is een ernstige misvatting en getuigt bovendien van een diepe minachting voor de bevolking, die zich door een goede voorlichting wel zal laten manipuleren.

Maar dit zoeken naar trucs getuigt nog van iets anders. Het gaat van de veronderstelling uit dat een grote meerderheid van de kiezers op 1 juni 2005 het grondwettelijk verdrag heeft verworpen omdat zij tegen dat verdrag of tegen ‘Europa’ überhaupt was. Dat is bijna zeker onjuist. Die meerderheid was niet tegen Europa, zij was gewoon onverschillig. Europa zegt die meerderheid niets.

Die onverschilligheid is op zichzelf al niet bevorderlijk voor een kabinet dat actief wil meespreken over de toekomst van de EU (en bovendien een vernietigend oordeel over de Europese propaganda die bijna zestig jaar lang over ons uitgegoten is). Maar op dit ogenblik is het genoeg te constateren dat het niet om Europa was dat een grote meerderheid het grondwettelijk verdrag verwierp.

Waarom dan wél? Het grondwettelijk verdrag werd verworpen uit algemene gemelijkheid – niet zozeer over Europa, ook niet zozeer over het kabinet-Balkenende, maar over het hele politieke bestel – regering en oppositie – kortom: ‘de politiek’. In Duitsland hebben ze daar een naam voor: Verdrossenheit.

Welnu, die Verdrossenheit kent de Nederlandse politiek nu ook. Pim Fortuyn en het reusachtige succes dat hij, vooral na zijn dood, boekte was daar een eerste teken van. Nu zijn Jan Marijnissen, Geert Wilders en Rita Verdonk, die alle drie bij de verkiezingen van 22 november grote overwinningen behaalden, de grote profiteurs van die gemelijkheid.

De verwerping van het grondwettelijk verdrag op 5 juni 2005 past in dit rijtje, en als het resultaat van een Europees compromis in Nederland aan een referendum onderworpen zal worden – wat onvermijdelijk is – dan is de kans groot dat, tenzij intussen de oorzaken van die algemene gemelijkheid zijn weggenomen, dit ook verworpen zal worden. Ons land wordt dan een interessant onderzoeksterrein voor sociologen, maar zijn politieke betekenis is dan gemarginaliseerd.