Klaagt justitie terecht over journalisten?

De verhouding tussen justitie en de journalistiek is de laatste jaren ongemakkelijk geworden. Oud-procureur-generaal Dato Steenhuis en oud-hoofdredacteur Folkert Jensma gingen hierover vandaag in debat tijdens het KIM-college. Op deze pagina bewerkte versies van hun bijdragen. Meer informatie op www.kimforum.nl.

Er wordt veel geklaagd over de versplintering van de samenleving en het opkomend individualisme. Terecht: zonder sociale en culturele samenhang en zonder gemeenschappelijk gedragen waarden en normen is een vreedzame samenleving een illusie. Die cohesie vindt deels zijn weerslag in de wetten. De strafwetten drukken het minimumniveau aan gedragsregels uit.

Bij het handhaven van strafwetten vervult het Openbaar Ministerie een belangrijke rol. Het OM bepaalt mede de prioriteiten bij de handhaving, ‘bewaakt’ de toegang tot de rechter en is belast met de executie van strafvonnissen.

De bijdrage die de strafrechtelijke handhaving kan leveren aan de cohesie in de samenleving, kan alleen tot stand komen als de desbetreffende organen geloofwaardig zijn en vertrouwen wekken bij de burgers. Dat vertrouwen moet verdiend worden door begrijpelijke keuzes te maken bij het bepalen van handhavingprioriteiten, door een vlotte behandeling van zaken, door een adequaat sanctieniveau en door te operen binnen de grenzen van the rule of law. Als het OM zijn uiterste best doet om aan al deze voorwaarden te voldoen en daarin in belangrijke mate ook slaagt, verdient het respect.

Respect ook van de media, die in de berichtgeving over strafrecht de genoemde voorwaarden dikwijls verwaarlozen ten gunste van ‘hypes’ of andere vormen van scheef verdeelde aandacht, waarbij de informatiefunctie van de media wordt verdrongen door de waakhond- of de amusementsfunctie. Ik ben daar ontevreden over.

Er zijn twee manieren waarop ten onrechte afbreuk kan worden gedaan aan de maatschappelijke functie van het OM: door uitvergroting van misdaad als maatschappelijk vraagstuk en door een negatieve grondhouding van de journalist in contacten met het OM.

Wat het eerste betreft is wetenschappelijk vastgesteld dat dit het geval is. Nieuws over criminaliteit verschijnt frequenter dan nieuws over welk ander maatschappelijk probleem. Opsporing, vervolging en rechtspraak, en steeds meer ook uitvoering, zijn allang niet meer het exclusieve domein van politie, magistraten advocaten en een enkele rechtbankverslaggever.

Misdaad is ‘hot news’. Helaas wordt dat nieuws zelden in een bredere context geplaatst en staat de aandacht ervoor ook nauwelijks in relatie met de omvang en de ontwikkeling van de criminaliteit. Te veel theater en dramatische momenten, te weinig informatie over achtergronden en omvang; te veel aandacht voor mensen die beter tegen zichzelf beschermd hadden moeten worden (de dochter uit Exloërmond), te weinig besef voor de noodzaak voor een samenleving om zich te verdedigen tegen criminaliteit en criminele organisaties.

Natuurlijk zijn er voor die overexposure verklaringen te vinden. Zo zijn de activiteiten van politie en OM, in vergelijking met andere overheidsinstanties buitengewoon zichtbaar, al was het alleen maar omdat ze op de openbare terechtzitting worden getoetst op ‘fairness’. Ze appelleren ook aan dieper liggende menselijke behoeften. Veel mensen hebben behoefte hun wereld overzichtelijk te houden. Goed-kwaad-schema’s kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Precies dat gebeurt in veel berichtgeving over criminaliteit.

Wat me nog meer ergert is de negatieve grondhouding van de meeste journalisten tegenover de activiteiten van politie en OM . Het aantal situaties waarin politiemensen, officieren en in mindere mate rechters op hoge toon, namens het algemeen belang ter verantwoording worden geroepen, is aanzienlijk. En dat terwijl door die negatieve insteek juist afbreuk wordt gedaan aan het algemeen belang.

Een tragisch dieptepunt was de reactie van De Telegraaf op de (civiele) gijzeling van twee van zijn journalisten. Natuurlijk, rechters kunnen ook fouten maken en in casu werd de beslissing van de rechter-commissaris ook gecorrigeerd door de hogere rechter. Maar het misbaar en de manier waarop het gezag van de rechter in twijfel werd getrokken, was een hogere zaak waardig geweest .

Tot op zekere hoogte kan ik de keuze van journalisten voor de waakhondfunctie, als het om politie en justitie gaat, begrijpen. Ze beschikken beide over ingrijpende bevoegdheden jegens burgers die de openbare orde verstoren of verdacht worden van strafbare feiten. En er is in het verleden en ook recentelijk het nodige fout gegaan. De IRT-affaire, de ‘vormfoutendiscussie’ en laatstelijk de Schiedammer parkmoord zijn zaken waarin door eigen schuld het vertrouwen in politie en OM is aangetast.

Dat mag er niet toe leiden dat medewerkers van die organen vanuit een permanente achterdocht worden benaderd. Temeer niet omdat er in het Nederlandse apparaat geen sprake is van systematische schendingen van het recht of van toepassing van de wet ten eigen bate.

Ik heb drie aanbevelingen:

1. De mediastrategie van het OM zal meer dan nu in dienst gesteld moeten worden van de eigen functie. Uiteindelijk is die om bij te dragen aan het behoud van waarden en normen in de samenleving, door het straffen van daders, het geruststellen van slachtoffers en andere gezagsgetrouwe burgers en het afschrikken van potentiële daders. Dat vereist uiteraard allereerst een kwalitatief hoogwaardig optreden. Zoveel mogelijk van dat optreden moet zo goed mogelijk voor het voetlicht worden gebracht. Verder zijn er nauwelijks grenzen, behalve dan dat, ook als het niet over strafzaken gaat, niet moet worden meegewerkt aan de amusementsfunctie van de media. Daar valt vanuit de maatschappelijke functie die het OM heeft te vervullen, vaak weinig te verdienen. Hoe meer aandacht voor het goede optreden, hoe groter het effect en hoe groter de bijdrage aan het maatschappelijk vertrouwen en samenhang.

2. Journalisten moeten een hiërarchie aanbrengen in de uitoefening van de verschillende functies die hiervóór zijn onderscheiden. De waakhondfunctie zou pas aan bod moeten kunnen komen als de informatiefunctie voldoende is vervuld. Er is niets tegen een kritische benadering van welke autoriteit dan ook maar wel graag op grond van een gedegen kennis van zaken.

3. Er moet extern onafhankelijk toezicht komen op de (nieuws)media, zoals dat op vrijwel alle maatschappelijke terreinen al bestaat. Ik zie niet in waarom wel bij het voedsel, het geld en de concurrentie aan kwaliteitsbewaking wordt gedaan en niet bij de nieuwsvoorziening. Een soort media-autoriteit dus.

Mr. D. Steenhuis is oud-procureur-generaal.

De volledige teksten van de colleges van Steenhuis en Jensma zijn te bestellen via cwl@uvt.nl.