Justitie moet zich meer openstellen voor nieuwe media en nieuwe burgers

De verhouding tussen justitie en de journalistiek is de laatste jaren ongemakkelijk geworden. Oud-procureur-generaal Dato Steenhuis en oud-hoofdredacteur Folkert Jensma gingen hierover vandaag in debat tijdens het KIM-college. Op deze pagina bewerkte versies van hun bijdragen. Meer informatie op www.kimforum.nl.

Over de grote media-aandacht voor misdrijven en het justitiebedrijf wordt vaak nogal geringschattend gedaan. Sensatiezucht, kijkcijferdwang, oplagenood of, erger nog, ‘inspelen op de behoefte van de burger’ zijn veel gehoorde verwijten.

Critici menen dat media hun taak verwaarlozen. En die bestaat juist uit ordenen, context aanbieden, de gemoederen helpen bedaren en zo de autoriteiten steunen. Media lijken echter het omgekeerde te doen. Ze jagen het wantrouwen, de onrust en het verdriet juist aan. Dat zouden we doen uit sensatie- en hebzucht. Een morele diskwalificatie dus.

Nu is journalistiek een economische activiteit – we kunnen niet allemaal van de staatskas leven, nietwaar. Tegelijk groeiden ernst en omvang van de criminaliteit sterk. De samenleving leed eronder, politiek en bestuur pasten zich aan. Media berichten daar dan over. Maar het valt niet te ontkennen dat spektakelnieuws ook als zelfstandig fenomeen oprukt.

Het zelfbeeld van professionele media is dat van objectieve waarnemers die evenwichtig informeren. Wij denken dat de beelden en de woorden die we gebruiken neutrale, transparante instrumenten zijn om de realiteit te beschrijven. De Amsterdamse hoogleraar journalistiek Frank van Vree meent dat journalisten daarin naïef zijn. Onze woorden, onze verhaallijnen, invalshoeken, onze beelden en vormen noemt hij culturele constructies: kunstmatige manieren van denken en spreken. Media ‘registreren’ geen nieuws maar ‘maken’ nieuws door met taal en beeld ‘betekenis toe te kennen’ aan wat journalisten wensen te zien of beschrijven. Nieuwsberichten en reportages moeten beschouwd worden als een voorstel om op een bepaalde manier te kijken. Daarbij houden journalisten rekening met ingesleten gewoontes en verwachtingen van het publiek.

Ook de wijze van presentatie, de esthetiek van het nieuws is onderdeel van die culturele praktijk. Journalisten zeggen dat we nieuws alleen ‘groot brengen’ om duidelijk te maken dat het maatschappelijk relevant is. Het ongemak dat we voelen bij opwindend nieuws legitimeren we met onze informatieplicht. Een activiteit door en voor redelijke mensen die kalm de feiten van de dag incasseren, ook als ze ronduit sensationeel zijn.

Van Vree neemt dat ongemak weg. Sensatie is helemaal geen ontsporing, maar een normaal menselijk fenomeen. „Nieuws betekent immers ook ontregeling, ordeloosheid, verstoring, onrust en verbazing – en gróót nieuws, breaking news, overdondert als natuurgeweld’’, zei hij in zijn oratie.

Van ontzetting, ontzag, verbijstering gaat aantrekkingskracht uit. De mens ervaart zelfs fysiek genot bij het aanschouwen van vreselijke rampen. Namelijk het heerlijke gevoel van opluchting dat het niet hem overkomt maar een ander. Jij bent veilig, de ander is de klos. Dit feest van overleven wordt letterlijk weerspiegeld in het toenemende belang van beeld en fotografie in media. Terughoudendheid bij het tonen van lijken, directe gevolgen van oorlog, natuurrampen of criminaliteit is tanende.

Ooit werd het publiceren van foto’s van lijken van soldaten nog uitgesteld tot na de oorlog. Die oorlog was immers ‘nodig’, slachtoffers dus onvermijdelijk en de stemming van de burger mocht niet te negatief worden. Media laten de burger nu over aan het eigen kompas – ieder zijn eigen morele houvast. Dan kijkt u maar even de andere kant uit, vouwt u de pagina om, zapt u even door.

De beroepsplicht om vooral selectief te zijn is onder druk van de nieuwe media op zijn retour. Vele nieuwe mediaconsumenten wijzen journalistieke selectie als beginsel af. Het voedt hun wantrouwen tegen de ‘oude’ filterende media. Nieuwe media zijn volledig gedemocratiseerd, bemand door ‘burgers’, kennen geen grenzen (ethisch, inhoudelijk noch fysiek), erkennen geen zeggenschap.

Groot nieuws is tegenwoordig in ieders huiskamer à la minute te volgen. De burger laat zich overspoelen door de angst en onzekerheid die ‘live’ wordt uitgezonden vanaf de voorste tanks in de aanval op Bagdad, of de eerste etage van het strandhotel in Atjeh als de tsunami binnenrolt. Dit journalistieke bermtoerisme kent geen grenzen. Het volgende gekaapte verkeersvliegtuig dat een kantoortoren binnenvliegt zullen we live kunnen volgen via gsm-videobeelden vanuit het toestel.

Dat is de spektakelsamenleving, een begrip dat al uit 1967 dateert, maar waar internet en livetelevisie een dimensie aan hebben toegevoegd. De wereld als gewelddadige open inrichting. Een redeloos toneel waar chaos heerst, iedere ontsnapte tbs’er de hoofdrol van het moment kan vervullen, ieder willekeurig slachtoffer tot een run op de virtuele condoleanceregisters kan leiden. Massamedia zijn een zelfscheppende macht geworden, waarin journalisten ondergeschikt zijn. In de moderne wereld ziet de burger alles, beleeft alles en deelt dus ook in alle emoties.

Wat betekent dit nu voor de wijze waarop ‘justitie’ zich tot dat publiek moet verhouden? Advocaten bepleiten in toenemende mate hun zaken rechtstreeks bij het publiek. Strafdossiers worden mediascripts, met advocaten in de regisseursstoel, soms zelfs als presentator. Het ‘justitieverhaal’ heeft de zittingzaal ruimschoots verlaten, of arriveert daar niet meer. Sommige officieren van justitie meten zich al een publiek profiel aan. Bijvoorbeeld dat van ‘crimefighter’.

Als het justitiebedrijf in die volledig gedemocratiseerde visuele en emotiecultuur z’n maatschappelijke taken wil communiceren dan moet het ook voldoen aan de beeldverwachtingen van het publiek. Televisiebeelden van het requisitoir en de tenlastelegging, zoals het OM onlangs aankondigde, is dan maar een bescheiden begin. Een digitaal justitie-kanaal naar het voorbeeld van Politiek-24 (www.nos.nl/politiek24) is een natuurlijke volgende stap.

Justitie zal het eigen handelen voor nieuwe media en dus voor nieuwe burgers moeten ‘produceren’. Meer figuren met een publiek gezicht dus. Dat betekent weblogs, podcasts, webcams, eigen www pagina’s, hyvesdeelname, chatbox, tv-deelname, internetstrafdossiers die met een klik gevolgd worden in de justitieketen, net als je fotoafdrukken of je postpakket. Interactiviteit en instant-actualiteit. Voor velen in de justitiewereld vast een nachtmerrie en bovendien moeilijk te verenigen met de waarborgen van het strafproces. Maar om, zoals nu, de analyse te beperken tot de vraag waarom media toch wantrouwen tonen is onvoldoende. Klagen over journalisten is altijd nuttig, maar ook achterhaald. Ook justitie is een medium.

Folkert Jensma is oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad en nu commentator.