Je vrouw slaan kan óók cultuurgebonden zijn

Huiselijk geweld is cultuurgebonden.

Allochtone Nederlandse mannen keuren geweld in relaties niet af, zo blijkt.

De geportretteerde vrouwen hebben niets van doen met het onderzoek over huiselijk geweld. Foto Hollandse Hoogte Nederland, Amsterdam-West, 2002 Turkse vrouwen op plein Chabotstraat. Foto: Ad van Denderen/Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

Als een Marokkaanse man zijn vrouw slaat kan het zijn dat hij psychische problemen heeft; misschien sloeg zijn vader hém, is hij als kind misbruikt of is hij verslaafd aan drugs of alcohol. Maar het kan ook zijn dat de Marokkaanse cultuur een rol speelt.

Óf cultuur van invloed is bij huiselijk en eergerelateerd geweld bij allochtone mannen, dat wilden de onderzoekers van de stichting Ada Awareness weten. En zo ja, hoe dan.

Gisteren boden ze het rapport Huiselijke Vrede aan demissionair minister Verdonk (Integratie) aan. Het ministerie van Justitie subsidieerde het onderzoek. Het is het eerste uitgebreide verslag van huiselijk en eergerelateerd geweld door allochtone Nederlanders vanuit het perspectief van de daders. De onderzoekers interviewden daders, deskundigen en hulpverleners. Daarnaast spraken ze 23 daders, oorspronkelijk afkomstig uit Turkije, Marokko, Suriname en van de Antillen, zeer uitgebreid over hun beweegredenen.

Allochtone vrouwen zijn de afgelopen twintig jaar in hoog tempo geëmancipeerd, al geldt dat niet voor alle vrouwen. Hun mannen zijn grotendeels buiten dat proces gehouden, maar worden daardoor gedwongen tot verandering. De onderzoekers constateren dat „allochtone mannen hun macht- en statusverlies ervaren als gezichtsverlies. Hierdoor ontstaan conflicten die in relaties kunnen leiden tot geweld”. Hulpverleners hebben te weinig oog voor cultuurgebonden factoren.

Uit de gesprekken blijkt dat allochtone Nederlandse mannen geweld in relaties niet afkeuren. Psychisch of seksueel geweld in een relatie wordt niet zo ervaren. De geïnterviewde mannen hebben allen een dubbele moraal ten aanzien van seksuele vrijheid: mannen mogen hun gang gaan, vrouwen moeten trouw zijn. Seksualiteit is een groot taboe onder mannen van Turkse en Marokkaanse afkomst, mannen van Surinaamse en Antilliaanse afkomst praten er gemakkelijker over.

Opvallend zijn de grote verschillen tussen Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders die uit de gesprekken naar voren komen. Antilliaanse jongens groeien vaak op zonder vader en hebben intensief contact met hun moeder. Zij is zowel verzorger als voorbeeld. Later hebben mannen moeite vrouwen als autonome individuen te zien. Ze zijn gewend dat de vrouw de rol van zowel de vader als de moeder vervult. Ze verwachten veel van de relatie met een vrouw, waardoor de kans op escalatie groot is.

Binnen Turkse gezinnen is hiërarchie belangrijk. Er is een gezaghebber (de man), de rest volgt. Als de vrouw haar afhankelijke en onderdanige positie verlaat, bijvoorbeeld doordat ze werkt en de man niet, kan dat problemen opleveren. De mannen gebruiken geweld (dat ze zelf vaak kennen vanuit de opvoeding) om verstoorde rolpatronen te herstellen.

In Marokkaanse gezinnen is er vaak weinig contact tussen ouders onderling en tussen vaders en kinderen. Vader is zijn traditionele rol als vader kwijt en heeft grote moeite met een nieuwe invulling. Bij conflicten kiezen moeders de kant van de zoon, vaders voelen zich machteloos. Dat machteloze leidt tot spanningen. En soms ook tot geweld. Deze mannen praten hun gewelddadige gedrag goed door te verwijzen naar hun cultuur.

Mannen van Afro-Surinaamse afkomst gaven aan dat sociale controle van vrienden, familie en de gemeenschap in Suriname sterker is dan in Nederland. Die controle fungeert als rem op huiselijk geweld. Bovendien worden problemen in een vroeg stadium „door informele helpers uit de eigen gemeenschap” onderkend en aangepakt waardoor er minder kans is op escalatie. In het geïndividualiseerde Nederland werken die controle mechanismen veel minder. Bovendien hebben Afro-Surinaamse mannen weinig vertrouwen in Nederlandse hulpverleners. Ze doen wel een beroep op informele hulpverleners binnen de eigen etnische groep.

Autochtone hulpverleners kijken vaak met een té Nederlandse bril naar allochtone cliënten, concluderen de onderzoekers. Dat weten hulpverleners zelf ook, al jaren geven instellingen aan dat hun aanbod niet aansluit bij de vraag van allochtonen in Nederland.

Dat moet dus anders, vinden de onderzoekers. De hulp moet ‘interculturaliseren’. „Bij de reguliere hulpverlening zou het besef moeten groeien dat verschijnselen als huiselijk geweld niet door iedereen op dezelfde manier beleefd worden.” In de hulpverlening en voorlichting zijn het individuele (wat is er aan de hand met deze specifieke persoon?), het universele (bepaalde codes, ongeschreven regels, over wat het inhoudt om een man te zijn) en het culturele niveau allemaal tegelijkertijd relevant, zo zeggen de onderzoekers.