‘Ik ben wild in mijn films’

Luchthartigheid lijkt Bruno Dumont vreemd. De loden ernst die het drama Flandres karakteriseert, net als trouwens het eerdere werk van Dumont: La vie de Jésus, L’humanité en 29 Palms, is de ernst van de schepper. „Ik wil het publiek de poëzie van de liefde niet geven’’, zegt hij.

Maar hij heeft wel degelijk oog voor de poëzie in de schonkige liefde van het boerenmeisje Barbe met de ongearticuleerde knecht Demester. Hoe het meisje de kindsheid van Demester herkent en hem zijn dierlijke gang met haar laat gaan uit vriendschap – dat, zegt Dumont, is poëzie. En dat is kennelijk wel poëzie die zijn publiek mag hebben.

Praten met Dumont is vooral luisteren naar de worsteling van een kunstenaar die zijn schepping met pijn in het hart vrijgeeft aan de wereld. „Slechte kritieken kwetsen me, net als het besef dat mijn films maar een klein publiek aanspreken.’’ Maar de worsteling en het loslaten begint al eerder. „Ik schrijf mijn scenario als literatuur. Ik beschrijf het gezicht van André Demester tot in de details, de wolligheid van zijn wangen, zijn schoonheid. En daarna moet ik het loslaten als ik de acteurs bij de personages zoek. Dan zijn de personages van hen geworden.’’

Voor Demester had Dumont van meet af aan acteur Samuel Boidin in het hoofd, die hij eerder had geregisseerd in La vie de Jésus. Maar een ‘Barbe’ heeft hij naar eigen zeggen nooit gevonden. Uiteindelijk koos hij voor Adélaïde Leroux. „Toen ik Adélaïde had, bestond Barbe niet meer.’’ Hij zei zijn actrice dat ze moest zoeken in haar eigen angoisse voor de rol. „De kijker ziet er dan vanzelf de emotie van Barbe in.” Zo verbeeldt volgens Dumont het landschap het innerlijk van Demester.

Over de hardheid van Flandres zegt Dumont: „Mijn films zijn wild omdat daar de cinema begint. Ik ben niet amoreel in mijn leven, maar wel wild in cinema.” Hij herkent zich in Hobbes, de zeventiende-eeuwse filosoof die ervan uitging dat de mens tot alles bereid is voor zijn eigen zelfbehoud. „Wij zijn toch wolven in de natuur.”