Een goede schaker begint jong en heeft veel geoefend

Jong beginnen met schaken is de belangrijkste voorwaarde om schaakgrootmeester te worden. Veel oefenen en een goede coach zijn ook belangrijk. Dit concluderen Britse psychologen van de Brunel universiteit in Uxbridge die zich bogen over de aloude vraag of goed kunnen schaken nu is aangeboren of aangeleerd. Vooral een gevoelige periode waarin je moet beginnen met schaken bepaalt of je het ver zult brengen. Wie pas begint na zijn twaalfde kan het vergeten, schrijven ze in het januarinummer van Developmental Psychology.

Dat toptalent niet alléén maar is aangeleerd, bleek uit de vergelijking van het aantal uren dat schaak gespeeld of geoefend was door schakers. Gerichte training was wel erg belangrijk, maar niet voldoende om de top te halen. De langzaamste schaker uit het onderzoek had acht keer meer oefentijd nodig dan de snelste schaker om op hetzelfde niveau te komen.

De oorsprong van virtuositeit, genialiteit, grootmeesterschap en expertise is onder psychologen al decennialang onderwerp van debat. Sommigen zijn er van overtuigd dat het is aangeleerd. Langdurige, doelgerichte training maakt van iedereen een kampioen. Anderen verdedigen het tegenovergestelde: genialiteit is aangeboren. Een derde groep oppert dat er een kritieke periode is om een een vaardigheid goed te leren.

De Britten legden 104 Argentijnse schakers, van grootmeesters tot amateurs, een vragenlijst voor. Daarop moesten zij onder meer invullen op welke leeftijd ze begonnen waren, hoeveel uren ze hadden geoefend en gestudeerd op schaken, en wat hun niveau was. Ook moesten ze aangeven met welke hand ze verschillende dagelijkse bezigheden uitvoerden, zoals schrijven, tekenen, of snijden. Schakers zijn een geliefd studieobject voor expertonderzoekers, omdat een internationaal puntensysteem de capaciteiten van de schaker uitdrukt. Het schaakonderzoek is ooit begonnen door de Nederlandse psycholoog A.D. de Groot die het geheugen van schakers onderzocht. De Groot, zelf een goede schaker, begon trouwens ook op jonge leeftijd.

De Britten vonden aangeboren verschillen tussen schaakspelers en mensen die geen schaak spelen. Er zijn meer linkshandigen en gemengd-handigen onder schaakspelers te vinden dan in de ‘gewone’ bevolking, ook bij de Argentijnse schakers. Het idee is dat (overwegend) linkshandigen een relatief grotere rechterhersenhelft hebben: die stuurt immers de linkerhand aan. Die extra grootte zou twee functies van deze hersenhelft, het analytisch vermogen en het ruimtelijk inzicht, verbeteren, en dat komt een schaker goed van pas. Maar de Britten vonden géén relatie met de mate van linkshandigheid en het niveau van schaken.

Het belangrijkst bleek de leeftijd waarop de spelers serieus begonnen met schaken. Bijna alle spelers met een titel waren begonnen voor hun twaalfde. Zelfs wanneer het voordeel van meer trainingsuren werd weggestreept bleef de beginleeftijd duidelijk gerelateerd aan het schaakniveau.