De huid en de beer

Oefen vast even mee: ‘taakstellende onderuitputting’, ‘kasschuif’ en een resulterende ‘doorloopproblematiek’. Het zijn termen uit het tijdperk minister Kok (PvdA) van Financiën uit het tweede kabinet-Lubbers, en van vlak daarna. Het zijn ook begrippen waarvan gehoopt mag worden dat ze niet meer terugkeren in het idioom van de overheidsfinanciën. Die hoop is nog niet vervlogen, maar als de voornemens voor de coalitie die CDA, PvdA en ChristenUnie op dit moment trachten te smeden, inderdaad blijven zoals ze zijn, is alles mogelijk. De onderhandelaars dreigen namelijk te breken met een van de voornaamste principes uit het nu aflopende tijdperk van minister Zalm (VVD) van Financiën: het begroten op basis van een behoedzaam scenario. Daarbij gaat de financiële planning uit van een economische groei die iets lager is, recentelijk een kwart procentpunt, dan wat het Centraal Planbureau als realistisch veronderstelt. Voor de volgende vier jaar gaat het over een plausibele economische groei van gemiddeld 2 procent. Het behoedzame scenario komt dan uit op 1,75 procent.

Door niet langer voorzichtig te zijn, en de groei een kwart procentpunt hoger in te schatten, speelt de beoogde coalitie een kleine 2 miljard euro per jaar vrij. Dat is fijn voor de onderhandelingen, en maakt compromissen eenvoudiger. Maar is het ook verstandig? Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Juist door behoedzaam te zijn is de kans op tussentijdse begrotingstegenvallers kleiner, mocht de economie tegenvallen. In het verleden moesten kabinetten dat oplossen met paniekerige nota’s en/of tussenbalansen.

Het is waar dat Zalm, zeker in het begin, door behoedzaam te zijn meevaller op meevaller wist te stapelen en dat de volksvertegenwoordiging zich langzaam bedot begon te voelen. Vooral de PvdA is er, zeker onder fractievoorzitter Melkert, nooit gelukkig mee geweest. Maar destijds was het gat tussen ‘behoedzaam’ en ‘realistisch’ groter dan de kwart procentpunt die daarna gemeengoed werd. Zalm had bovendien aanvankelijk extra ruimte nodig om wat begrotingsfoefjes weg te werken van zijn voorganger.

Behoedzaamheid is geen panacee. Zelfs onder dit systeem zijn tijdens de recente jaren van laagconjunctuur forse extra bezuinigingen nodig geweest. Dat is een argument te meer om voorzichtig te blijven. De Nederlandse economie is een speelbal van de wereldeconomie. Die laat zich niet concreet voorspellen. Europa mag dan nog maar kort genieten van een flinke economische opleving, in de rest van de wereld duurt die al veel langer en groeit de kans op een kentering. Het risico bestaat dat de goede tijden in Nederland geen vier jaar gaan duren.

De onderhandelaars voor de coalitie blijken te streven naar een begrotingsoverschot van tegen de 1 procent van het bruto binnenlands product aan het einde van de rit. Dat voornemen kan makkelijk in het nauw komen als er geen buffer meer is om een tegenvallende economische groei op te vangen. In het verleden moest dat gat worden overbrugd met de creatieve oplossingen die sindsdien gelukkig uit het handboek van Financiën verdwenen zijn. Die verzoeking mag niet terugkeren.