‘Citotoets moet geen eindoordeel basisschool zijn’

Het eindrapport van de basisschool moet gaan meewegen in het middelbare school-advies voor kinderen in groep 8. De Citotoets moet niet langer als eindoordeel gelden.

Dat stelt de Onderwijsraad in het advies Presteren naar vermogen, dat vanochtend is gepubliceerd.

In de huidige situatie speelt de in februari afgenomen Citotoets op veel scholen een belangrijke rol bij het advies aan leerlingen voor een schooltype (vmbo, havo, vwo). Volgens de raad moet dat voorjaarsadvies een voorlopige status krijgen. Leerlingen in groep 8 moeten de maanden tussen de Citotoets en de zomervakantie gaan gebruiken om hun zwakke onderdelen bij te spijkeren. Op die manier, hoopt de raad, kunnen scholieren aan het eind van groep 8, in juni, een hoger advies verdienen dan in februari.

Het eindrapport, zegt de raad, moet een officieel schooldiploma worden. In de huidige situatie is het eindrapport een onderwijskundig rapport dat de basisschool overdraagt aan de middelbare school, waarin een aantal specifieke kenmerken van een leerling staat opgesomd. In de toekomst moet het rapport alle resultaten vanaf groep 6 bevatten, aldus de raad. Bovendien moet het rapport bestemd zijn voor ouders en leerlingen, en niet meer alleen voor de scholen. De resultaten vanaf groep 6 gaan zwaarder meewegen in het schooladvies dan nu het geval is.

De Onderwijsraad denkt met de ‘bijspijkermaanden’ aan het eind van de basisschool een middel te hebben om minder kinderen te laten onderpresteren dan in de huidige situatie. Naar schatting tien tot achttien procent van de kinderen op de basisschool presteert momenteel niet naar vermogen, constateert de raad. Als „groepen die speciale aandacht behoeven” noemt de Onderwijsraad Nederlandse leerlingen met laagopgeleide ouders, leerlingen met een Turkstalige achtergrond, jongens op taalgebied, hoogbegaafde leerlingen en meisjes bij bèta- en technische vakken.

Het beter benutten van de onderwijstijd moet leiden tot „meer doorstroom naar het hoger onderwijs, minder voortijdige uitval, meer hoger opgeleiden en een verbetering van werk- en inkomensperspectieven”. Dat zorgt volgens de raad uiteindelijk voor „besparingen op de kosten van gezondheidszorg, sociale zekerheid en criminaliteit”.