Sproeien of ploegen, dat is de vraag

De Verenigde Staten willen de Afghaanse papaverplantages vernietigen door het sproeien van gif. De Afghaanse president verkiest de tractor. Een Haags ministersconflict is het gevolg.

Afghaanse politieman slaat papavers stuk tijdens een actie in de provincie Kandahar, april 2005 Foto AP Foto AP

De Nederlandse militairen rijden er in Tarin Kowt, de hoofdstad van de Afghaanse provincie Uruzgan, elke dag voorbij: grote billboards waarop de Afghaanse regering dreigt de illegale papaverveldjes met tractoren om te ploegen. Jarenlang liet diezelfde regering de papaverteelt ongemoeid. Maar nu, onder zware Amerikaanse druk, toch actie wordt aangekondigd, leidt dit tot meningsverschillen, tot in politiek Den Haag..

Aan de ene kant staat de Amerikaanse regering, die meent dat sproeien met chemicaliën, net als in Colombia, de enige echt effectieve methode tegen de Afghaanse papaver – grondstof voor 90 procent van alle heroïneproductie in de wereld. Aan de andere kant staat de aarzelende Afghaanse regering, die de teelt liever middels platwalsen met tractoren te lijf wil, en een brede opstand onder de boerenbevolking vreest, wanneer het radicale Amerikaanse recept gevolgd wordt.

De onenigheid binnen het Nederlandse kabinet vormt van het Amerikaans-Afghaanse meningsverschil een afspiegeling. Minister Kamp van Defensie (VVD) wil dat de Nederlandse militairen in Uruzgan gaan meehelpen met het uitroeien van de papaver. Minister Van Ardenne van Ontwikkelingssamenwerking (CDA) meent dat ze dat vooral nog niet moeten doen, omdat het ze zo impopulair zal maken dat al het opbouwwerk in Uruzgan in gevaar komt. Eerst moeten flankerende maatregelen worden getroffen, meent Van Ardenne: zoals alternatieve gewassen en inkomens voor de getroffen boeren. Kamp is niet tegen zo'n totaalaanpak, maar platwalsen moet daarvan een van de elementen zijn.

Dat er iets aan de Afghaanse papaverteelt moet gebeuren – daarover is iedereen het eens. Volgens de Verenigde Naties groeide die teelt vorig jaar met 59 procent, goed voor de productie van 670 ton heroïne, meer dan alle heroïneverslaafden ter wereld tot nu toe in een jaar plachten te verbruiken.

De Afghaanse drugshandel maakt, volgens de VN, ongeveer een derde van het nationaal inkomen uit. Zolang die doorgaat lijken alle pogingen om van Afghanistan een ‘normaal’ land te maken ten dode opgeschreven. Want de inkomsten verbonden aan die handel stellen elke andere, ‘normale’ economische activiteit in de schaduw.

Dat geldt voor de boeren die papaver verbouwen, maar ook voor het Afghaanse overheidsapparaat. Een Afghaanse generaal die op de vlucht voor drugsbaronnen in Londen asiel heeft aangevraagd, gaf onlangs een indruk van de omvang van de verleiding. Als chef van de douane op het vliegveld van Kabul verdiende hij officieel 385 euro per maand en kreeg meerdere keren per week bedragen tot 3.800 euro aangeboden, om een oogje toe te knijpen bij heroïnetransporten.

De VS hebben de afgelopen maanden zware druk uitgeoefend op de regering van president Karzai. Ze willen dat Dyncorp International Incorporated, het bedrijf dat al tien jaar voor de VS in Colombia met sproeivliegtuigen de drugsteelt bestrijdt, ook in Afghanistan zijn werk kan doen. In Colombia, waar vooral cocaïne voor de Amerikaanse markt vandaan komt, zou Dyncorp opmerkelijke resultaten hebben geboekt: in tien jaar is, volgens (niet noodzakelijkerwijze betrouwbare) cijfers van de Colombiaanse regering, de omvang van de teelt van grondstoffen voor drugs teruggelopen van ongeveer 15.000 naar ongeveer 1.000 hectare. Daarmee is ook de voornaamste inkomstenbron aangetast van de bewapende linkse en rechtse groeperingen die de Colombiaanse staat ondermijnen.

Het probleem in Afghanistan is groter dan het in Colombia ooit is geweest. De teelt omvat nu naar schatting 162.800 hectare. Volgens de Amerikanen is het een belangrijke inkomstenbron voor de guerrilla van de Talibaan, waarmee de NAVO in de komende lente opnieuw op grote schaal de strijd dreigt te moeten aangaan.

Maar de regering Karzai heeft stand gehouden tegen de Amerikanen, ook toen DynCorp aanbood om hun sproeimiddel – glyphosaat, ook bekend onder de merknaam Roundup – niet vanuit vliegtuigen maar alleen vanaf de grond te verspreiden. Te veel bijkomende schade aan mensen, dieren, voedingsgewassen en het milieu, oordeelden Karzai en zijn ministers.

Binnenskamers leidde Karzai’s opstelling tot veel tandenknarsen. Er is nu de verdachtmaking dat de president politiek misschien wel erg zwaar leunt op allerlei Afghaanse warlords die ook belangen hebben in de drugshandel. Maar in het openbaar valt er op Karzai’s besluit niets af te dingen. Tenslotte betreft het hier de regering van een bevriend, soeverein land. En bovendien bood Karzai aan om met conventionele methoden zoals omploegen de papaver te lijf te gaan. Als dat geen zoden aan de dijk zou zetten, beloofde de Afghaanse president, mag DynCorp in 2008 alsnog gaan sproeien.

Asadullah Wufa, de gouverneur van de Zuid-Afghaanse provincie Helmand waar zich de meeste papavervelden van Afghanistan, naar schatting 69.200 hectare, bevinden en die nu al een van de gewelddadigste van het land is, reageerde met een zucht van verlichting: „Een gelukkig besluit”. Gouverneur Munib van de ‘Nederlandse’ provincie Uruzgan speelde de order tot omploegen meteen door naar de internationale gemeenschap: 200 tot 300 tractors graag, en voldoende diesel. Of hij die van het over dit beleid ruziënde Nederlandse kabinet krijgt, is dus nog even de vraag. Een gezamenlijk kabinetsbrief over de Afghaanse papaver, die gisteren juist de deur uit zou gaan op het moment dat Kamp en Van Ardenne het aan de stok kregen, is ook nog niet verschenen.

    • Raymond van den Boogaard