Je kunt bijna niets meer zeggen

Moet de gemeente Amsterdam een vergunning afgeven voor een speciaal scheepje waarop leerlingen van de basisschool (minimum leeftijd 11 jaar) in de gelegenheid worden gesteld om straks mee te varen in de Gay Pride?

Uiteraard moet je als Nederlandse hoofdstad – leukste Wallen, leukste zakkenrollers, leukste koffieshops, jongste homootjes – met je tijd meegaan. Maar kennelijk is in dit geval enige aarzeling binnengeslopen in de plaatselijke politiek.

Als je zegt dat je je dat wel kunt voorstellen, loop je natuurlijk een zeker risico. Voor je het weet delen ze je in bij het kamp-Dorenbos, ze denken dat je Rouvoet hebt gestemd, en dat je de SGP het dubbele van haar oude subsidie wilt teruggeven als Bas van der Vlies er voor zorgt dat gereformeerde vrouwen, net als moslima’s, de keuken nooit meer uit komen – kortom: je staat er lelijk op.

Maar moet ik dan zwijgen?

Ik mag ook al niet zeggen dat Ayaan Hirsi Ali zich langs een aantal goed gekozen kruiwagens naar de top heeft gestrebt, of dat de onderwijskundigen van het Nieuwe Leren te lui zijn om behoorlijk les te geven, of dat Leon de Winter al z’n opiniestukken overschrijft uit geheime rapporten van conservatieve Amerikaanse en Israëlische denktanks. In de dagen van de linkse kerk mocht je over allerlei kwesties al nauwelijks je mond open doen, maar nu kun je zonder levensgevaar werkelijk helemaal niks meer hardop benoemen.

Waarom moeten homoseksuelen elk jaar in hun halfblote kont over de Amsterdamse grachtengordel dobberen?

Daar zou ik wel eens een bevredigend antwoord op willen horen, vóór ik me verdiep in de vervolgvraag of B en W van Amsterdam er mee akkoord moeten gaan dat kinderen van 11 op een afzonderlijk bootje meedobberen.

Natuurlijk weet ik dat homoseksualiteit, zeker sinds de komst van een miljoen verdomde Turken en Marokkanen, in Nederland op z’n gunstigst nog altijd halfslachtig wordt geaccepteerd. Maar dat probleem is toch niet verholpen als je ongekleed, onder het afspelen van luide teringmuziek, en het maken van ontuchtige heupbewegingen, met in je kielzog bovendien nog een schip schapen van kinderen, eens per jaar met z’n allen de Prinsengracht onveilig maakt?

Dan zou ik zelf altijd eerder contact zoeken met iemand als Dion Graus, de dierenvriend van de Partij van de Vrijheid, die de allochtoon nog minder lust dan fractievoorzitter Geert Wilders en die me, met die vreesaanjagende krulletjes in z’n nek, altijd bereid lijkt de verdomde Turken en Marokkanen die onze homo’s te na komen, op dezelfde efficiënte wijze mores te leren als waarop hij naar verluidt indertijd ook een paar eigen ex-vriendinnen te grazen heeft genomen.

Maar ik zal m’n mond wel weer houden.

Dat wil zeggen: ik had m’n mond onmiddellijk willen houden, als ik op televisie, en in tenminste één krant, te elfder ure niet ineens kennis had genomen van de mening van Ger Hekma, ‘docent homo/lesbische studies aan de Universiteit van Amsterdam’.

Hoe zou je jezelf mogen noemen als je na het halen van alle verplichte tentamens en examens bij Hekma in diens specialiteit was afgestudeerd? Holland spreekt een woordje mee.

Ger zei tegen de Volkskrant: „Het is heel goed dat kinderen meevaren. Zij eisen hun seksuele burgerschap op.”

Net als je denkt dat Nederland wel zo’n beetje af is, verschijnt een jongetje van 11 aan de horizon, en eist op hoge toon zijn seksuele burgerschap op.

En als het aan Ger ligt, komen de eisen vroeger en vroeger. „In de praktijk zie je kinderen op steeds jongere leeftijd uit de kast komen, en behoefte hebben zich te identificeren”, vervolgde hij zijn pleidooi. „Kleine hetero’s mogen dat overal, jonge homo’s niet.”

Discriminatie!

Maar ik hou m’n mond.

Rectificatie / Gerectificeerd

Jan Blokker haalt in zijn column Je kunt bijna niets meer zeggen (31 januari, pagina 16) de docent homo/lesbische studies aan de Universiteit van Amsterdam Ger Hekma aan. Zijn naam is Gert Hekma .

    • Jan Blokker