Hoe dood moet een donor zijn?

Wanneer is iemand dood? Dat lijkt eenvoudig genoeg: als zijn hart niet meer klopt. Maar van de voorlichting over orgaandonatie weten we dat het zo niet zit. Iemand is ook dood als de hersenen niet meer functioneren. Hersendood. Dat komt alleen voor op intensivecareafdelingen omdat daar met behulp van beademingsapparatuur en medicijnen het hart en de ademhaling aan de gang worden gehouden. Het vreemde verschijnsel doet zich dan voor dat iemand wiens hart klopt en wiens lichaam warm is, toch ‘dood’ heet. Zo’n dode is, wanneer hij of zij verder gezond was, een ideale orgaandonor, want alles is bruikbaar. Stopt het hart, dan valt een aantal organen snel af: het hart zelf, de alvleesklier, de nieren en de longen hebben allemaal tot op het laatst zuurstofrijk bloed nodig om hergebruikt te kunnen worden.

Maar wanneer is iemand precies hersendood? Dat is in de wet netjes omschreven. Iemand is hersendood wanneer alle hersenfuncties gestopt zijn, ook die van de hersenstam.

Op de intensivecareafdeling van het Erasmus Ziekenhuis in Rotterdam ligt een vrouw van 40 jaar met een hersentumor. Ze wordt kunstmatig in leven gehouden. Ze wil graag al haar organen doneren. Alles lijkt dus in orde. Maar er is een complicatie. Weliswaar zijn alle hogere hersenfuncties verdwenen en kan ze zonder beademing niet blijven leven. Maar de lagere hersenfuncties zijn niet afgestorven. Dus is ze volgens de wet níét dood. Ze zal wel doodgaan, maar wanneer? Een orgaandonatie is ook een boel voorbereidend werk: er moeten ontvangers gevonden worden, er moet een operatiekamer gereserveerd worden, er moeten chirurgen opgetrommeld worden. Als ze haar van de beademing halen, zal ze minder kunnen doneren dan ze wilde. Als ze haar nú opereren, vermoorden ze haar.

Deze casus filmde Netwerk. Verschillende intensivecareartsen kwamen aan het woord. Het hoofd van de afdeling zei: zo is de wet nu eenmaal. Een longarts vond de wet te benauwd. De hogere hersenfuncties waren toch al weg, ze zou willen dat de wet verruimd werd: „Dan kunnen we ook deze mensen al eerder ter donatie aanbieden”. Ze dacht dat veel andere artsen het net zo zagen.

Netwerk sprak in de studio door met de klinisch ethicus Erwin Kompanje. Hij vond de wet uitstekend zo, ook al kan het soms frustrerend zijn. Hij wees erop dat orgaandonoren een formulier tekenen waarin staat dat ze ‘na mijn dood’ organen willen afstaan. Erná. „Maar hoe dood moet een patiënt zijn?”, vroeg de EO-verslaggever. „De samenleving moet ervan uit kunnen gaan dat een ziekenhuis een veilige haven is en dat de organen pas uitgenomen worden als je overleden bent”, zei Kompanje. Het was een wonderlijk schouwspel om het de EO min of meer op te zien nemen voor levensbekorting. Maar het gaat er niet van komen, zei Kompanje, en dat lijkt een stuk beter ook, hoe jammer dat ook is voor mensen die wachten op een donororgaan. Het is niet onbegrijpelijk dat artsen, als ze weten dat een patiënt hoe dan ook zal overlijden, liever meteen de organen willen hergebruiken voor patiënten wier leven daar wel door gered kan worden. De stichting ‘Transplantatie nu’ liet ook weten het goed te vinden „dat het debat los komt”. Tja. Misschien is dat goed. Maar het is ook goed te blijven bedenken dat we dan praten over het wegnemen van organen uit stervende patiënten. Wat toch iets heel anders is dan dode. Een van de familieleden van de vrouw vroeg het ook nog voor alle zekerheid: „Ik heb toch echt goed begrepen dat ze dood is als ze geopereerd wordt?” Ja. Dat had ze, gelukkig, goed begrepen.

Reageer op deze column via www.nrc.nl/ogen

    • Marjoleine de Vos