Gebruik van dope in sport neemt toe

Het gebruik van prestatiebevorderende middelen in de sport is tussen 2001 en 2005 sterk toegenomen. Dat concludeert de Dopingautoriteit in Nederland uit het derde nationale prevalentieonderzoek naar middelengebruik, uitgevoerd door bureau IVO in opdracht van het Ministerie van VWS. De resultaten daar zijn gisteren bekendgemaakt.

„Voor ons is de conclusie zeer interessant, ook al vormt het onderwerp prestatiebevorderende middelen slechts een klein deel van het hele onderzoek. Het is de enige groep middelen die groeit in gebruik. De rest stabiliseert, blijkt uit het representatieve onderzoek”, aldus directeur H. Ram van de Dopingautoriteit.

Het onderzoek geeft percentuele stijgingen en dalingen weer in het gebruik van verschillende middelen, waaronder prestatiebevorderende middelen. Omrekening van die percentages naar aantallen geeft aan dat in 2005 ruim 150.000 Nederlanders in de leeftijd van 15 tot 64 jaar ooit prestatiebevorderende middelen zouden hebben gebruikt. Dat is een stijging van 100 procent in vier jaar tijd. Vooral jonge mannen in de grote steden zouden meer zijn gaan gebruiken.

In 2005 zouden, volgens de Dopingautoriteit, 55.000 mensen één of meer prestatiebevorderende middelen hebben gebruikt. Zo’n 40.000 van hen deden dat voor het eerst. Bij de middelen gaat het om anabole steroïden, groeihormoon, epo, schildklierhormoon, clenbuterol, amfetaminen, cocaïne, efedrine en andere middelen. „Dit alles voor zover de middelen gebruikt zijn met de bedoeling een sportprestatie te verbeteren of een gespierder lichaam te krijgen”, aldus Ram.

De Dopingautoriteit vermoedt dat de bloei van de fitnessbranche en de toename van de handel via internet mogelijk een rol speelt bij de toename. (ANP)