Een gemiddeld leven? Dat bestáát niet

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen.

Roerloos zwijgend wacht ik tot ze allemaal zitten. Dan zeg ik, langzaam en duidelijk: „Wie van jullie vindt zichzelf saai?”

Twaalf volwassen mensen kijken me onzeker aan. Stiekem gluren ze opzij, naar de anderen.

„Een andere vraag. Wie vindt zijn leven saai?”

Ook deze stilte wrijf ik er diep in. En dan sla ik toe. „Waarom maken jullie dan zulke vreselijk saaie persoonsbeschrijvingen?”

Ik vis een blaadje uit de stapel ingezonden werk. „‘Alles aan Margreet is gemiddeld’”, lees ik. „‘Haar postuur, haar hond, haar leven...’ En zo zijn al jullie personages! Jongens, wat is in hemelsnaam ‘een gemiddeld leven?’ Dat bestáát niet. We hoeven er de statistieken niet bij te halen om te weten dat er in deze groep één bij zit met een dodelijke ziekte, één met een gestorven kind, met verzwegen homoseksuele gevoelens... We zitten hier toch niet om op te schrijven wat voor iedereen zichtbaar is? Kijk uit je doppen en schrijf wat er onder zit.”

Een dag later ga ik naar een oud-leerlinge. Ze heeft met de dames van haar leeskring mijn laatste boek gelezen. Om vijf uur stap ik een warme kamer binnen. Negen dames zitten in een kring.

„Nel, jij zou beginnen.”

Nel vraagt naar het plaatje op de kaft van mijn boek. Wat het betekent, en of ik het zelf heb mogen uitzoeken. Eerste vragen gaan altijd over het omslag.

Daarna is Ceciel aan de beurt. „U beschrijft heel eigenaardige personages. Hoe verzint u zulke types?”

„Ik verzin ze niet”, zeg ik stijfjes. „Dit zijn gewone mensen zoals u en ik.”

„Maar die drie vrienden dan, Luuk, Daantje en Sylvester? Dat zijn toch hele rare types. Die bestáán toch niet.”

„Ik kan ze u zo aanwijzen. Ze komen elk jaar op mijn verjaardag. En dan ziet u drie keurige jongens. Ze dragen een jasje en misschien een stropdas, maar de rest zit er ónder. Het gezwel en de schaamte en het verkeerde huwelijk. En dat zijn kéúrige heren met kéúrige banen!”

Ik zet mijn glas neer en slik mijn pinda door. „Dames”, zeg ik. „U bent allen, als ik het zeggen mag, al een beetje ouder. Er zitten hier in deze kamer zeker zeshonderd levensjaren. Ziekte, dood, verderf en schaamte – u heeft het allemaal meegemaakt. Waarom denkt u nou toch dat u uw eigen deux-pièces bent? Hoe kan dat nou?”

Eén vrouw, aan het raam, knikt ineens. „Misschien heb je gelijk. Vorig jaar was ik bijna dood. Ik heb een litteken van hier tot hier.” Ze wijst van kruis tot kin. „Maar als mensen me nu vragen hoe het nu toch met me is, dan denk ik: waar hebben ze het over. Weet je, je maakt het weer grijs. Net als de rest. Om het te vergeten.”

„Dus dat is het”, zeg ik een week later tegen mijn klasje. „Ze maken het grijs, net als de rest. Maar jullie moeten het rood maken. In de menie zetten. Uitknippen, opplakken, aan de muur hangen en kijken! Zie de mens! Begrepen?”

Begrepen.

    • Nicolien Mizee