De weg

Wat mensen mij nooit moeten vragen is ‘de weg’. De kans dat ze op die manier ooit te bestemder plekke aankomen, is vrijwel nihil.

Het heeft iets tragisch, ik geef dat graag toe. Mijn bedoelingen zijn immers onveranderlijk goed, ik ben altijd van harte bereid hulpeloze toeristen te helpen. Zij kunnen ook niet weten dat ze van mij het onmogelijke verlangen. Vroeger viel mijn gebrek niet zo erg op. Ik woonde in Hilversum, en wie wil er nou de weg in Hilversum weten? De bezoekers van Hilversum willen er doorgaans weer zo snel mogelijk uit.

Sinds ik echter in Amsterdam woon, word ik geregeld belaagd door toeristen die de weg vragen naar Dem Skweer, de red laits, En Frenk of Ven Gogg. Vaak staan we tegenover elkaar in een doolhof van straatjes op zo’n kilometer of twee, drie van de gevraagde plek. Soms zitten ze, om het me nog moeilijker te maken, in een auto achter beslagen ruitjes waarnaar ik me diep voorover moet buigen.

Op dat moment gebeurt er steevast iets chaotisch in mijn hoofd. Er verschijnt een virtueel stratenplan, waarin vrijwel alle straatnamen onleesbaar zijn en waarvan de straten ook nog eens voortdurend van plaats verwisselen. Dit resulteert in vragen aan mijzelf als: is de Rozengracht nou de derde, vierde of vijfde straat rechts, komt de Looiersgracht vanaf hier gezien áchter of vóór de Elandsgracht en hoe-heet-die-straat-ook-weer via welke ze makkelijker bij het Leidseplein kunnen komen?

De situatie is voor mij pijnlijker dan voor hen. Zij stellen vertrouwen in mij, ze zien me als de ingewijde bewoner van een kleine, mysterieuze wereldstad. Ik voel ook altijd, ondanks mezelf, enige trots als ik ze met enkele vage aanwijzingen („straight ahead, then to the right”) op pad heb gestuurd. Maar al kort nadat ze met warme dankwoorden afscheid van me hebben genomen, begint de twijfel aan me te knagen.

Had ik ze niet tóch de andere kant moeten opsturen? Ach natuurlijk, ik was minstens drie zijstraten en twee verkeerslichten vergeten. Ik stel me voor hoe zulke mensen zich dan door de stad begeven. Drie, vier minuten lang zijn ze nog tot de rand toe gevuld met dankbare gevoelens jegens de Nederlander. „Vriendelijke mensen”, zegt de man. „Staan altijd voor je klaar”, zegt zijn vrouw.

Een minuut later staan ze aan de grond genageld. Ze kijken naar de straatnaambordjes boven zich. Niets klopt ervan. Sprakeloos kijken ze elkaar aan. Wat was dat voor een idioot? Was dat hier soms een nationale sport – toeristen in de maling nemen?

Intussen spoed ik me haastig verder. Ik verleg mijn route – uit angst dezelfde toeristen opnieuw tegen te komen. Het kan gebeuren dat ik zó’n omweg maak dat ik nu ook zelf het spoor bijster raak en een échte autochtone Amsterdammer de weg zal moeten vragen.

Waar is dit alles begonnen? Het is een familiekwaal, ik kan het ook niet helpen. Mijn vader wist al niet hoe hij rechts en links uit elkaar moest houden, naast hem in de auto hield mijn moeder de plattegrond ondersteboven. Het heeft heel wat vakanties bedorven. Samengevat zou je kunnen zeggen: het buskruit hadden wij in onze familie, met enige moeite, nog wel kunnen uitvinden, maar de TomTom was volledig ondenkbaar.

Het zij zo. Ik ga dit stukje nu versturen. Als ik de weg kan vinden.

    • Frits Abrahams