De beste films komen weer niet uit Europa

Van de 15 films die op het Rotterdams filmfestival kans maken op een Tiger Award, zijn er nu 11 vertoond. De beste films komen weer uit Azië en Zuid-Amerika.

Bas Blokker

Twee, drie goede films, echt goede, meer heb je niet nodig voor een geslaagd festival. Dan is het festival van Rotterdam na een week al geslaagd. In de Tiger-competitie, de staalkaart van jonge cinema over de hele wereld, zit in elk geval tot nu toe al één geweldige film, de al meermaals genoemde Love Conquers All van Tan Chui Mui, dan nog een heel goede en een paar interessante. En dan praten we dus nog niet over het getoonde buiten de competitie: de films van mensen als de Argentijn Lisandro Alonso (Fantasma), de Thai Apichatpong Weerasethakul (Syndromes and a Century) of de Iraniër Jafar Panahi (Offside). Allemaal films waarvoor je iedereen naar de bioscoop zou willen sturen – maar dat is in Nederland 2007 een utopie: twee van deze drie films hebben geen distributeur en zullen buiten Rotterdam hoogstwaarschijnlijk in Nederland niet meer te zien zijn. Dat maakt alleen maar nog meer duidelijk hoe cruciaal de positie van dit festival is voor dit soort films. Het festival als reservaat.

Onder leiding van de Chinees Lou Ye moet de Tiger-jury oordelen over vijftien films, waarvan nu elf voor het publiek zijn vertoond. De wat hermetische La antena van de Argentijn Esteban Sapir opende een week geleden het festival, gisteravond laat ging de Finse Rock ‘n’ Roll Never Dies in première, een iets te komieke film van Juha Koiranen. Het is ook lastig om Finnen te ontdekken in de schaduw van Aki Kaurismäki, maar als ze zich aan de laconieke droefenis wagen waar hij de meester van is, dan moeten ze echt met iets beters komen dan met een 35-jarige man die, nog altijd in zijn jongenskamer, met zijn gitaar in bed slaapt en van de zomer van 1982 droomt.

Nee, de meest interessante films komen dit jaar weer uit Azië en Zuid-Amerika en niet uit Europa. La marea van de Argentijn Diego Martinez Vignatti is gemaakt met Belgisch geld, maar in zijn geheel opgenomen in Argentinië. De regisseur heeft zijn hoofdrolspeelster (en echtgenote) Eugenia Ramirez Miori overgeleverd aan de onbarmhartige natuur. Na de dood van haar man en zoontje trekt ze zich terug in een desolaat hutje bij zee. Martinez Vignatti slaagt erin in één en dezelfde camerabeweging – een pan, een horizontale beweging – de vrouw te observeren, dan te zien wat zij echt ziet, dan wat zij fantaseert, dan dat zij zich realiseert dat het fantasie is en dan de werkelijkheid weer te hernemen. Het resultaat is roerend en beklemmend.

De andere Zuid-Amerikaan die indruk maakt, is de Braziliaan Claudio Assis met Baixio das bestas (De beestenpoel). In een dorpje geven jongeren zich over aan uitspattingen van drank en seks en wordt een piepjong meisje door haar opa uitgebaat: hij zet haar op een muurtje achter de kerk, trekt haar bloes omhoog, haar rok omlaag en laat mannen betalen om haar te begluren. Niemand kan het opbrengen haar te bevrijden.

Hier lijkt de camera een gevoelloze observator en hij plaatst ons in de ongemakkelijke rol van machteloze getuigen bij een misdaad. Maar wie zegt dat je van goede films vrolijk moet worden?