Amerikaanse afwezigheid

„De komende decennia zullen de Amerikaanse staatslieden moeten erkennen dat in de internationale machtsverhoudingen grote verschuivingen gaande zijn, en dat het noodzakelijk zal zijn, deze veranderingen te ‘leiden’, zodat de relatieve erosie van de Amerikaanse positie in de wereld geleidelijk en zonder schokken verloopt. Laten we hopen dat het niet versneld wordt door een beleid dat op korte termijn voordeel kan brengen maar op den duur nadelig is.” Dit schreef de Britse, in Amerika wonende historicus Paul Kennedy in 1987 in zijn The Rise and Fall of the Great Powers.

Volgens hem begint de aftakeling als de ‘imperial overstretch’ zich laat gelden; als het totaal van de buitenlandse verplichtingen voor de natie te groot wordt om dat allemaal tegelijk te verdedigen. Zo was het met Spanje en Nederland gegaan, met Frankrijk en het Britse Imperium en nu was het de vraag of de Verenigde Staten hetzelfde lot te wachten stond. Misschien, zei Kennedy. Het grote probleem is of de volgende generaties dit proces goed zullen managen.

Twintig jaar geleden baarde het boek opzien, veroorzaakte felle discussie. Maar Kennedy keek te ver vooruit. President Reagan had zijn ‘It’s morning again in America’ afgekondigd, de leiders in Washington waren ervan overtuigd dat de Russen ‘on the run’ waren. En ze hadden gelijk. De Koude Oorlog zou nog twee jaar duren en daarna waren de jaren negentig aangebroken, met Francis Fukyama’s ‘het einde van de geschiedenis’ en de Nieuwe Economie die eeuwig zou blijven groeien. Ten slotte maakte Amerika na acht jaar een eind aan de Europese catastrofe van Joegoslavië. ‘This benign nation’ noemde minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright de Verenigde Staten.

Toen barstte de zeepbel van internet. Schandalen beheersten het nieuws. De nieuwe president werd niet door een meerderheid gekozen maar bij gebrek aan een duidelijke stembusuitslag door het Hooggerechtshof benoemd. In wat toen een volle vredestijd leek begon George W. Bush met de afbraak van internationale verplichtingen: het verdrag van Kyoto, het Internationaal Strafhof. De rol van de diplomatie in de buitenlandse politiek werd gedevalueerd. De aanval van 11 september 2001 bracht daarin geen principiële verandering maar versterkte het unilateralisme, het ‘wie niet voor ons is, is tegen ons’. De oorlog tegen de Talibaan werd in eerste aanleg door de Amerikanen zonder westelijke bondgenoten gewonnen. Daarna vormde Washington ‘the coalition of the willing’ voor de oorlog tegen Saddam Hussein.

Waardoor het in Irak is misgelopen laten we nu buiten beschouwing. Het gaat om de gevolgen. Al eerder hadden de historici Niall Ferguson en Tony Judt vastgesteld dat de macht van Amerika afneemt. Relatief door de opkomst van de nieuwe grootmachten China en India en misschien het herstel van Rusland. En absoluut als gevolg van neoconservatieve denkbeelden over de inrichting van de wereld onder leiding van president Bush en zijn regering. Daardoor heeft de natie zich verwikkeld in het chaotisch complex van het Midden-Oosten, waarvan de oorlog in Irak niet meer dan een onderdeel is. Zoekend naar een uitweg dreigt Washington zich er op het ogenblik juist dieper in te verwikkelen.

Een van de gevolgen is dat het Amerikaanse prestige wordt aangetast. Een recent teken daarvan vinden we in het verslag van Fareed Zakaria, columnist en lid van de redactie van Newsweek over de jaarlijkse bijeenkomst van de internationale elite in Davos (afgelopen maandag op deze Opiniepagina) Bij vorige gelegenheden was er altijd een hoogtepunt van de vergadering: de rede van een prominente Amerikaan. Deze keer niet. Ook waren er geen smeekbeden of uitbarstingen van woede tegen de Verenigde Staten. „De reden is deels dat men George W. Bush als passé beschouwt.” Dodelijker diagnose kan men van de machtigste man ter wereld niet stellen.

Zakaria komt tot het volgende deel van zijn betoog. Hij probeert zich voor te stellen wat een wereld zonder Amerikaans leiderschap zou zijn. Hij volgt Ferguson die het visioen van een barbaarse anarchie beschrijft, „een tijdperk van naties in verval, religieus fanatisme, economisch roven en plunderen, en de beschaving die zich terugtrekt in een paar versterkte enclaves”. Misschien wat al te somber, voegt Zakaria eraan toe, „maar de mensen die met smart hebben uitgezien naar het herfsttij van de Amerikaanse overheersing, mogen wel uitkijken met wat ze wensen.”

Een goed artikel met een demagogisch slot. Impliciet stelt Zakaria, als zo velen in en buiten Amerika, de kritiek op of het radicaal afwijzen van het bewind van Bush gelijk met een plat anti-Amerikanisme. Het is ver van de waarheid. Meer dan de helft van de kiezers is nu tot de ontdekking gekomen dat de buitenlandse politiek van deze regering de natie in een doodlopende steeg heeft geleid. Buitenlandse critici hebben al jaren hetzelfde voorspeld. Dat is geen anti-Amerikanisme; het is diepe zorg om Amerika. Het is zorg om de geleidelijke teloorgang van het Westen dat buiten Amerika geen leiderschap kan opbrengen om die ontwikkeling te stuiten, of desnoods zoals Paul Kennedy het heeft genoemd, te managen.

Dat in Davos geen Amerikaan woorden van enige betekenis heeft gesproken, dat niemand van een andere nationaliteit een opzienbarend woord van kritiek op dit bewind in Washington heeft geuit, is een veeg teken, hoewel niet het eerste. Het duurt nog twee jaar voor het uitzicht opent op iets wat meer belooft.

Zoals het er nu uitziet: nog twee jaar afbraak.

Lees het artikel van Fareed Zakaria op www.nrc.nl/opinie