Afghanistan pijnigt ons

De eerste getraumatiseerde Nederlandse soldaat is nog niet teruggekeerd uit de Afghaanse provincie Uruzgan – hoop ik – of er is al een film over hem. „Waarom heeft niemand mij verteld dat het zo erg zou worden in Afghanistan” van Cyrus Frisch beleefde deze week zijn première op het Rotterdamse filmfestival.

In deze, voor zover bekend, eerste lange bioscoopfilm die bijna geheel met een mobiele telefoon is opgenomen, kijkt een uit Afghanistan teruggekeerde militair naar zijn Nederlandse woonomgeving, in casu Amsterdam.

Alles beangstigt hem: de Marokkaanse jongens die op het plein rondhangen, de politie die een opstootje uiteen drijft, de zwervers, de winkeldief die zich schreeuwend tegen zijn arrestatie in de supermarkt verzet. Het leven in Amsterdam is een voortzetting van de oorlog, net zo erg als Afghanistan.

De film- en theatermaker Cyrus Frisch kan bij mij geen kwaad doen. Alles wat ik ooit van hem gezien heb, vond ik de moeite waard en dat er anderen zijn die het werk van Frisch plat, onsmakelijk of onbegrijpelijk vinden doet mijn bewondering eerder toe- dan afnemen – er huist een snob in mij die dat juist prettig vindt.

In deze film probeert Frisch iets te verbeelden waar volgens mij veel Nederlanders aan lijden: een onbestemd gevoel dat het mis gaat met de wereld, dat zich met de trits Afghanistan-Irak-Libanon-terreurdreiging-straatgeweld een diffuse, mondiale dreiging aftekent, die steeds meer ook het leven van alledag gaat beheersen.

Zoals de meeste gevoelens laat dit besef van groot onheil zich maar moeilijk onder woorden brengen, of met feiten staven. Het schilderen ervan is misschien daarom juist wel aan de kunst voorbehouden.

Daarnaast verwijst de film naar de Nederlandse militaire aanwezigheid in Afghanistan. Als je in aanmerking neemt dat Frisch niet in Afghanistan geweest is – misschien wordt het tijd dat Defensie na de schrijver Arnon Grunberg ook eens een avantgarde-filmer uitnodigt – legt hij dat verband verrassend effectief. Ik, die daar voor mijn werk wel geweest ben, was tenminste getroffen door de suggestie van oorlog die uitgaat van de beelden van politiehelikopters boven Amsterdam, en de rookpluim boven het Centraal Station, die op een gruwelijke zelfmoordaanslag wijst.

Los nog van de artistieke kwaliteiten van Frisch’ film, vind ik het bijzonder te prijzen dat hij de geest van de eeuw wil betrappen. Ik denk ook dat we over een paar jaar best eens tot de conclusie zouden kunnen komen dat de Nederlandse militaire inzet in Afghanistan invloed heeft gehad op ons nationaal cultuurpatroon – op de Nederlandse beleving van geweldsuitoefening, van de aanvaardbaarheid van slachtoffers, van de plaats van Nederland in de wereld, van dit land kortom. Frisch komt de eer toe als een der eersten naar die dingen een gooi te hebben gedaan.

Dat zou voor kunstenaars misschien vanzelfsprekend moeten zijn, maar is dat niet. De enige film over de Fortuyn-tijd – een episode van massaal beleefde haat, rancune, dreiging, revolte en geweld – is 0605 van Theo van Gogh, waarin dit alles tot een kinderachtige politieroman over een onwaarschijnlijk complot wordt gereduceerd. Verder heeft geen Nederlandse filmmaker zich serieus aan deze materie durven wagen.

Raymond van den Boogaard

‘Waarom heeft niemand me verteld dat het zo erg zou worden in Afghanistan’ is op het Rotterdamse festival nog te zien op zaterdag, Venster 2, 20.15 u.

    • Raymond van den Boogaard