Stabiel kabinet of stabiele PvdA?

Verliezen gaat vaak van au. Moet Wouter Bos, zwaar verliezend PvdA-lijsttrekker in de Kamerverkiezingen van 22 november, dadelijk als minister van Financiën en vicepremier deel van een vierde kabinet-Balkenende, met CDA en ChristenUnie, uitmaken? En daardoor zijn commitment aan de nieuwe coalitie zichtbaar maken, waarmee de stabiliteit van het nieuwe kabinet gediend zou zijn? Of kan hij, met het oog op eventuele ontevredenheid in de PvdA over het formatieresultaat, beter fractievoorzitter blijven om, soms als tegenvoeter van het kabinet, te waken over het politieke profiel van zijn club? Anders gezegd: wat is van groter belang, de stabiliteit van de coalitie of de stabiliteit van de PvdA? Of gaat het bij dit vraagstuk slechts om een schijntegenstelling en zou die coalitie deep down voor een duurzame stabiliteit meer hebben aan de steun van een redelijk kalme PvdA-fractie, onder leiding van Bos, dan aan diens persoonlijke commitment aan het kabinet?

Bij gebrek aan veel ander informatienieuws is het beschreven vraagstuk flink in discussie geraakt. Bos krijgt van vele kanten aanbevelingen. Vooral het CDA zou graag zien dat hij vicepremier onder Balkenende wordt, al heeft hij voor de verkiezingen steeds gezegd dat hij zoiets niet zou doen. De huidige minister van Financiën, de VVD’er Zalm, die zelf de politiek verlaat en wiens partij buiten de formatie staat, heeft ook al geroepen, al dan niet treiterig, dat hij in Bos een geschikte opvolger ziet. Volgens VVD-fractieleider Rutte, die niets meer over het verloop van de formatie weet dan de attente krantenlezer, doet Bos het in de formatieonderhandelingen uitstekend. Want hij haalt veel binnen, vooral de verkeerde dingen waarop de PvdA dol is en die de VVD verafschuwt, zei Rutte eergisteren in een heel speculatieve en daardoor nogal onserieuze bijdrage aan het tv-programma Buitenhof. Hoe heet zoiets, harde oppositie avant la lettre?

Maar Bos krijgt ook kritiek omdat hij te gretig en te regeerbelust zou zijn aan de onderhandelingstafel van informateur Wijffels, al weet nog niemand buiten de kring der fractievoorzitters en hun assistenten wat daar precies is of wordt verhapstukt. Niettemin waarschuwde prof. Joop van den Berg, oud-lid van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer, Bos en de PvdA vorige week maandag in een opiniestuk in deze krant voor zulke gretigheid. Volgens Van den Berg laat de parlementaire geschiedenis zien dat het vicepremierschap voor een PvdA’er behoorlijk riskant kan zijn. Hij noemt de namen Vondeling (vicepremier in het kortstondige kabinet-Cals, 1965/’66) en Kok (Lubbers III, 1989/’94) als voorbeelden. Kok is tijdens zijn ministerschap op Financiën drie keer langs de afgrond gegaan. Het liep allemaal goed af, beter dan in het geval-Vondeling, maar het had ook anders kunnen gaan, aldus Van den Berg. „Er is geen garantie dat Bos het lot van Kok zal delen en niet dat van Vondeling”, schrijft hij . Ja, zou een tegenwerping kunnen zijn, dat is zeker waar, maar is de vervulling van zulke functies eigenlijk wel denkbaar zonder politieke risico’s?

Van den Berg voorziet nóg een probleem voor de PvdA, en voor het beoogde nieuwe kabinet. Formeren is ook de kunst van het tijdig en duidelijk elimineren van alternatieve opties. Dat is in de informatie-Hoekstra in het geval van de SP en GroenLinks te haastig gedaan. Door de (te) snelle ‘uitsluiting’ van de SP kan de PvdA ten nadele van haar eigen machtspositie straks van die partij extra moeilijkheden in de Kamer verwachten. Nu, bij de SP worden de messen natuurlijk allang geslepen om de PvdA te pijnigen, maar kwam het besluit om niet langer, of zelfs helemaal niet, aan de informatie deel te nemen niet van de SP en GroenLinks zelf? En was hun afwijzende houding juist niet óók bepaald door de overweging dat de uitnodiging om bij informateur Hoekstra aan tafel te komen mede gericht was op hun uiteindelijke eliminatie? Nu Bos verwijten, zoals Van den Berg doet, dat hij zich in het belang van zijn machtspositie, of zelfs van zijn eventuele premierschap, (nog) niet bij het afscheid van de SP en GroenLinks had mogen neerleggen, is daarom wat veel het goede.

Natuurlijk zal, anders dan Rutte al in zijn kristallen bol meende te zien, de PvdA een stevige prijs voor haar verkiezingsnederlaag en voor haar minderheidspositie in een nieuwe coalitie moeten betalen. En het is te hopen dat het CDA haar het vel niet al te duidelijk over de neus zal proberen te halen, al was het maar omwille van de stabiliteit van het enige parlementaire meerderheidskabinet dat enigszins spoort met de verkiezingsuitslag van 22 november. Maar om het oordeel over het verloop en de uitkomst van de formatie overwegend te laten afhangen van het psychische incasseringsvermogen van de PvdA, en haar angst voor de SP, dat zou – met alle respect – geen goed idee zijn. Ligt de tijd dat half Nederland beleefd boog voor zulke gevoeligheden niet al decennia achter ons?

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.

    • J.M. Bik