Nooit was het zo warm

Klimaatonderzoekers vergaderen sinds gisteren in Parijs over het klimaat.

Dat verandert razendsnel, heeft de wetenschap vastgesteld. Maar wat nu?

Sceptici werpen telkens de vraag op of het klimaat nu werkelijk verandert.

Het antwoord is: ja, de klimaten op aarde veranderen, snel en sterk. Alleen, hoe erg is dat?

Deze week komt in Parijs het IPCC bijeen, de klimaatorganisatie van de Verenigde Naties. Honderden klimaatonderzoekers noemen het nu al „zeer waarschijnlijk” dat de opwarming van de aarde in de laatste vijftig jaar vooral is veroorzaakt door broeikasgassen. De vraag is of de beleidsmakers die harde conclusie accepteren.

Dat het klimaat zo radicaal verandert, is eigenlijk pas sinds begin jaren tachtig bekend. Toen werd de conclusie getrokken dat opwarming van de aarde onontkoombaar was. Een kwart eeuw was gemeten aan de CO2-concentratie van de atmosfeer en die bleek voortdurend te zijn gestegen. Dan moest het wel warmer worden, zei een klassieke theorie. Want CO2 is een broeikasgas.

Drie ploegen onderzoekers, een Britse, een Amerikaanse en een Russische, gingen na of de opwarming ook uit metingen viel af te leiden. Zij analyseerden temperatuurregistraties die teruggingen tot 1860; metingen van meteorologen en andere wetenschappers, van zeelieden, missionarissen en onderwijzers, als ze maar eenduidig waren. Zo goed en zo kwaad als dat ging, leidden ze er een gemiddelde luchttemperatuur uit af voor een heel jaar en de hele aarde.

De drie reconstructies bleken verrassend identiek. Ze lieten zien dat de troposfeer (de onderste atmosfeerlaag van de aarde) sinds 1900 inderdaad almaar warmer was geworden, met een pauze tussen 1940 en 1970 toen een kleine afkoeling optrad. Maar na 1970 ging het in ongekend tempo verder omhoog. Tussen 1906 en 2005 steeg de gemiddelde temperatuur van de lucht bij het aardoppervlak met 0,74 graad Celsius. Dat lijkt weinig, maar het is veel: het verschil tussen vandaag en een ijstijd is niet meer dan een paar graden. De temperatuur stijgt sinds 1990 zo snel dat elf van de laatste twaalf jaar tot de twaalf warmste uit de meteorologische geschiedenis behoren.

Nog steeds is dat het helderste signaal dat er iets mis is in de atmosfeer en dat het gestaag de verkeerde kant op gaat. Het andere niet te negeren signaal is dat van de smeltende gletsjers. Op een paar uitzonderingen na worden alle gletsjers voortdurend korter. Veel gletsjers waren daar rond 1750 mee begonnen, maar de meeste ondergingen rond 1850 een versnelling. Die versnelling wordt als een ‘broeikassignaal’ beschouwd.

Toen tegen het eind van jaren tachtig onder wetenschappers de overtuiging had postgevat dat de klimaten inderdaad veranderden, werden daarvoor ook al snel andere aanwijzingen gevonden.

De aanwijzingen zijn terug te vinden in opeenvolgende rapporten van het IPCC. De winterse sneeuwbedekking op het noordelijk halfrond neemt trendmatig af. Het drijvende zee-ijs rond de noordpool wordt dunner en trekt zich terug. De toplaag van de permafrost in Canada en Rusland is sinds de jaren ’80 drie graden warmer. Ook de oceanen worden warmer, tot op steeds grotere diepte. Opwarmend water zet uit en komt omhoog; samen met de aanvoer van smeltwater van gletsjers leidt het tot een gestaag rijzen van de zeespiegel van zo’n 2 mm per jaar. De laatste jaren gaat het zelfs wat sneller: met 3 mm per jaar.

De levende natuur verandert mee. Het groeiseizoen van veel gewassen is verlengd, veel planten raken eerder in bloei dan 35 jaar geleden, trekvogels komen eerder terug. Diverse planten- en dierensoorten die karakteristiek waren voor zuidelijke gebieden vestigen zich meer in het noorden.

De klemmende vraag is nu: is dit uniek? Klimaten zijn nooit stabiel, altijd zijn er langetermijnvariaties geweest in temperatuur en neerslag. Het staat vast dat ook de variabele activiteit van de zon (met meer of minder zonnevlekken) zijn weerslag heeft op de temperatuur. De koude die tussen de Middeleeuwen en begin van de negentiende eeuw heerste op het noordelijk halfrond (de ‘Kleine IJstijd’) hangt waarschijnlijk samen met verminderde zonneactiviteit. Toen de Kleine IJstijd afliep, gaven de gletsjers hun ijs langzaam terug aan de zee. Ook zware vulkaanuitbarstingen kunnen weer en klimaat lang beïnvloeden, net als het El Niño-verschijnsel, dat zijn centrum van activiteit heeft boven de Grote Oceaan.

De neiging is groot alle gesignaleerde klimaatverandering aan dezelfde oorzaak toe te schrijven. De droogte in de Sahel in de jaren zestig en zeventig, het plotseling grote aantal tropische cyclonen dat de Amerikaanse zuidoost kust trof in 2005: ze zijn aan het broeikaseffect toegeschreven, maar staan er waarschijnlijk niet mee in verband.

Dat de huidige veranderingen uniek en verontrustend zijn, blijkt nog het duidelijkst uit een temperatuurreconstructie voor de afgelopen 1.300 jaar. Daarvoor zijn vooral jaarringen van zorgvuldig geselecteerde bomen gebruikt. Het IPCC concludeert uit deze reconstructie (de ‘hockeystick’) dat het ‘waarschijnlijk’ op het noordelijke hafrond in die 1.300 jaar nooit zo warm is geweest als nu.

Broeikassceptici zijn er ook. Zie bijvoorbeeld de ‘klimatosoof’ op De Groene Rekenkamer: www.richel.org/grk