Mooi huis, mooie auto en dan kunst Pessimisten waarschuwen voor luchtbel

De kunstmarkt bloeit. De vraag overtreft het aanbod. De prijzen exploderen. Daarbij komt nieuwe vraag uit landen als China en India. En kunstkopers lenen niet meer, ze betalen uit eigen vermogen.

De boot is na bijna drie eeuwen alsnog aangekomen in Amsterdam, zo heet het bij veilinghuis Sotheby’s Amsterdam. In 1720 zonk voor de kust van Vietnam een schip met aan boord Chinees porselein dat bestemd was voor de Europese markt. De komende dagen is er een veiling van 76.000 blauw-witte koppen, borden, druppelaars en ander porselein, dat de afgelopen jaren is geborgen.

Meer dan een aankomst is deze omvangrijke veiling een vertrek: het echte begin van een nieuw veilingjaar in Nederland. Het startschot voor de internationale kunsthandel is de veiling Impressionist and Modern Art – met werk van onder meer Roy Lichtenstein – die volgende week bij Sotheby’s in Londen plaatsheeft. Beide veilingen geven de eerste antwoorden op de vraag: wordt 2007 even spectaculair voor de handel in kunst en antiek als 2006?

De kunstmarkt kolkte vorig jaar van de records, vooral bij de verkoop van schilderijen uit de eerste helft van de twintigste eeuw. De records werden geboekt op veilingen in New York en Londen, zoals bij de verkoop van Adèle Bloch-Bauer II van Klimt, maar ook in de onderhandse handel; zo werd de absolute topper van 2006 – een ‘druipschilderij’ van Pollock – door mediatycoon David Geffen rechtstreeks verkocht aan een particulier voor 140 miljoen dollar.

De belangrijkste verklaring voor de opmars van de kunstmarkt, waarover overigens nauwelijks harde cijfers beschikbaar zijn, is simpel. „Er is gewoon heel veel geld”, zegt directeur Jop Ubbens van Christie’s Amsterdam: „Jaarlijks komen er vele miljonairs bij.” En, zegt directeur Mark Grol van Sotheby’s Amsterdam: „Mensen die een mooi huis en een goede auto hebben, gaan op een gegeven moment kunst kopen – al is het maar om thuis aan de muur te hangen.”

De rijkdom in Noord-Amerika en West-Europa neemt toe in het spoor van de economische bloei en de hausse op de effectenbeurzen. In de wereld van private equity en hedgefondsen bulken de speculanten, die in Nederland bedrijven als Ahold en Stork bestoken, van het nieuwe geld. Zo legde de Amerikaanse hedgefondsmiljardair Steve Cohen 139 miljoen dollar neer voor Le rêve van Picasso – een aankoop die niet doorging nadat de bijna-blinde verkoper per ongeluk zijn elleboog door het doek had geduwd.

Buiten de westerse wereld, waar traditioneel de meerderheid van de kunstverzamelaars huist, komen er dagelijks eveneens vele rijken bij. Op de internationale stromen van handel en kapitaal komen landen op als India en China, dat alleen al 15 miljoen miljonairs telt. De dure olie voedt daarnaast de rijkdom in het Midden-Oosten en Rusland. Deze nieuwe rijken kopen kunst op gespecialiseerde veilingen voor Chinese, Russische, islamitische of Indiase kunst die in het verleden naar het westen is verdwenen.

„Door hun eigen erfgoed op te kopen, proberen nieuwe rijken zich een identiteit te verwerven”, zegt conservator Matthi Forrer van Rijksmuseum voor Volkenkunde. Deze nieuwe kunstkopers slaan hun vleugels inmiddels ook uit op de markt voor moderne westerse kunst. Zo kocht de Chinese miljardair Joseph Lau vorig jaar het schilderij Mao van Warhol (17, 3 miljoen dollar).

Vervolg op pagina 14

KUNSTMARKT

Pessimisten waarschuwen voor luchtbel

Vervolg van pagina 13

En de koper van de op één na duurste Picasso ooit – Dora Maar au chat – was een onbekende Rus, die dezelfde avond ook een landschap van Monet aanschafte.

Dergelijke grensoverschrijdende aankopen maken duidelijk hoezeer de kunstmarkt de afgelopen jaren is verbreed. De internationalisering is daarbij allesbehalve beperkt tot de grootmachten-in-wording. De bijna 6 miljoen euro die vorig jaar in Parijs werd betaald voor een Fang Ngil-masker uit Gabon was een record voor ‘primitieve’ kunst. En daarmee een teken dat de belangstelling voor Afrikaanse kunst sterk is toegenomen, zowel voor historische als voor hedendaagse.

„Op de kunstmarkt is sprake van een mondialisering, waarbij het onderscheid tussen westerse en niet-westerse kunst vervaagt”, zegt conservator Koos van Brakel van het Tropenmuseum. „Moderne kunst kocht je in Afrika tot voor kort voor pakweg een paar honderd euro. Nu zijn de prijzen vergelijkbaar met die in Nederland.” Als voorbeeld noemt Van Brakel de Egyptische kunstenaar Chant Avedissian, wiens werk in waarde is toegenomen van enkele duizenden tot vele tienduizenden euro’s.

Meer dan voorheen wakkeren de veilinghuizen Sotheby’s en Christie’s, die op de internationale kunstmarkt een duopolie vormen, de handel in kunst en antiek zelf nadrukkelijk aan. Hun belangrijkste wapen daarbij zijn de taxaties, die veilingexperts gratis doen bij verzamelaars thuis. „Wij weten daardoor wat onze klanten bezitten. Dus als Breitner goede prijzen behaalt, dan bellen we met iemand die een Breitner heeft en vragen: wilt u misschien verkopen?” vertelt Ubbens van veilinghuis Christie’s.

Zo is rond de kunstmarkt een industrie ontstaan, die de omzet aanjaagt en klanten naar veilingen trekt. De handel in kunst en antiek is daardoor zoals zoveel een ‘evenement’ geworden. Dat is ook te zien aan de drukbezochte kunstbeurzen, die steeds meer kopers wegzuigen uit de intieme kunsthandels in het Amsterdamse Spiegelkwartier en het Haagse Noordeinde.

Veel vermogende kunstkopers hebben tegenwoordig gespecialiseerde kunstadviseurs, die onlosmakelijk deel zijn gaan uitmaken van de industrie. „Die veilingen en beurzen hebben daardoor hun eigen dynamiek”, zegt kunsthandelaar Peter Pappot. „Als er een topstuk op de veiling is, zijn er zeker tien gegadigden die van hun adviseur te horen hebben gekregen: kopen. Zo kan een stuk dat op 50.000 euro is geraamd, zo naar de 100.000 euro gaan.”

Als er een topstuk is. Maar die zijn er niet zo veel meer, zo valt te vernemen. Veel veilingen zijn afgegraasd, zoals die voor islamitische kunst; de Iraans-Britse verzamelaar Khalili zei vorig jaar nog maar weinig waardevols te kunnen kopen. Veel sleutelwerken van vooraanstaande kunstenaars bevinden zich inmiddels in de collecties van musea. Zo staat tegenover de sterk toegenomen vraag naar kunst een beperkt aanbod van kwalitatief hoogwaardige kunst: dé verklaring voor de recordprijzen van vorig jaar.

Deze records hebben sommigen verlokt om kunstwerken uitsluitend te kopen met de gedachte die met winst door te verkopen. Deze speculatie heeft een ‘luchtbel’ in de kunstmarkt gebracht, zo waarschuwde de Financial Times onlangs, die ooit zal knappen. Ook de economie, die de kunstmarkt nu nog opjaagt, zal ooit weer in een dal komen. De kunstmarkt kan dus een tik krijgen, zeggen pessimisten, zoals eerder in de jaren negentig gebeurde na de hausse met onder meer Vincent van Gogh.

Maar de veilinghuizen blijven optimistisch. Om drie redenen. Anders dan in de jaren negentig betalen de kunstkopers nu met eigen vermogen en niet met geleend geld. Het gebrek aan topstukken houdt de prijzen hoog. En gewaardeerde kunstenaars raken hoogst zelden weer uit de gratie. Ook de eerste voortekenen lijken gunstig. Bij Sotheby’s in New York werd vorige week donderdag een schilderij van Rembrandt geveild voor 25,8 miljoen dollar (19,9 miljoen euro), het op één na hoogste bedrag ooit voor een verhandeld doek van de Nederlandse schilder.