Kunstenaars komen in debat niet veel verder

De Raad voor Cultuur organiseert ‘debatten’ tussen kunstenaars. In Amsterdam werd gisteren gepraat over ‘hoge’ en ‘lage’ kunst en over het liegen bij een subsidieaanvraag.

„Een ding is zeker,” zei presentator Chris Keulemans, „We gaan het hier niet over kunstsubsidies hebben.” De Raad voor Cultuur organiseert overal in het land ‘debatten’ met kunstenaars, om te onderzoeken wat er speelt en het beleid daar eventueel op aan te passen. Voor de kunstenaars een uitgelezen moment om zich met de geldschieters te verstaan, maar dat, zo bleek bij aanvang, was dus niet de bedoeling. In Amsterdam kreeg de avond, in goed Nederlands ‘The Next Generation’ gedoopt, de vorm van een etalage; zeven kunstenaars presenteerden zich kort aan het publiek en spraken over hun ‘praktijk’. Een en ander moest gezien worden tegen het licht van een betoog door René Boomkens, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Groningen en lid van de Raad voor Cultuur. Volgens Boomkens bevindt de kunst zich in een staat van chaos die hij ziet als ‘een conditie van openheid en kansen’, niet als een teken van verval. De verschillen tussen commercieel en artistiek kunst voor elite en mainstream, autonoom en dienstbaar en ‘hoge’ en ‘lage’ kunst zouden volgens Boomkens bij de jongere generatie al nagenoeg verdwenen zijn.

Zijn ongelijk bleek gedurende het vervolg. Want als kunstenaars multidisciplinair zijn, zoals bijvoorbeeld dichter/dirigent/componist Micha Hamel, opereren ze uitsluitend in het domein van de hoge kunst. En als ze commercieel met artistiek werk combineren, zoals regisseur Marcus Azzini, doen ze dat keurig binnen één discipline – in Azzini’s geval het theater. De plek van klassieke muziek en klassiek ballet als hoge kunstvormen bleek onaangetast. Zodra er sprake is van onuitsprekelijke gevoelens, zoals in een theaterproject met echte gevangenen in de Antwerpse gevangenis van Lotte van den Berg, zetten kunstenaars klassieke muziek in, constateerde Micha Hamel tevreden. „Als ze klassiek gaan doen, zijn het zéker seriemoordenaars,” grapte break-danseres Alida Dors over Van den Bergs project. Haar onbewuste vooroordeel tegen ‘hoge’ muziek ten spijt knabbelde Horst, die een soort deconstructivistische breakdance liet zien, als enige echt aan de muur tussen ‘hoog’ en ‘laag’.

Had deze niet-representatieve groep kunstenaars, overigens niet van de volgende maar van de huidige generatie, verder nog iets gemeen? Een zekere voorkeur voor guerrilla, zou je kunnen zeggen, de neiging om kunst te laten opduiken op onverwachte plekken en momenten. En ze zijn, beeldend-kunstenaar Jonas Staal uitgezonderd, wars van politiek en andere grote thema’s, ze zoeken hun verhalen eerder in intermenselijke relaties.

Kon de Raad voor Cultuur nog iets voor ze doen? Transparanter zijn, en minder strikte eisen stellen, vonden de kunstenaars. De praktijk van liegen is wijd verbreid in de subsidieaanvraag; aanvragers en subsidiënten weten dat, maar toch blijven de regels bestaan.

Wellicht was de avond voor de leden van de Raad voor Cultuur informatief. Maar voor de kunstenaars leek de oogst wat mager, want de belofte dat zij zich naderhand konden mengen met de leden van de Raad werd niet ingelost. De leden, verborgen tussen het publiek in de zaal, hadden zich namelijk niet voorgesteld.

    • Maartje Somers