Kabinet moet het leefmilieu beschermen en verbeteren

Het beoogde kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie heeft weinig politieke ruimte om de liberalisering van onze publieke moraal aan te pakken, betoogt S.W. Couwenberg.

Nu ook ethische kwesties bij de kabinetsformatie aan de orde lijken te zijn, is het nuttig het te dien aanzien te voeren beleid in een historisch perspectief te plaatsen. Daarbij valt op dat in dit land confessioneel-christelijke en burgerlijk-liberale tradities in onderlinge rivaliteit en wisselwerking hun stempel gedrukt hebben op de ontwikkeling van de hier geldende publieke moraal.

In de eerste helft van de 19e eeuw gaf de confessioneel-christelijke traditie nog de toon aan, in de tweede helft kreeg de burgerlijk-liberale traditie op die moraal steeds meer invloed. Rond 1900 was die invloed al zo sterk dat homoseksualiteit aanvaardbaar leek te worden.

Maar spoedig daarna kreeg de confessioneel-christelijke traditie dankzij christelijke politieke en maatschappelijke machtsvorming, opnieuw de overhand met een aanzienlijke verstrakking van de zedelijkheidswetgeving als gevolg.

In de jaren zestig kwam daaraan een einde. Een links-liberale stroming kreeg de wind in de zeilen dankzij de culturele revolte van die jaren.

Sindsdien voltrok zich in zekere zin een ‘Umwertung aller Werte’ op moreel gebied. Die uitte zich in de ontwikkeling van een permissieve samenleving waarin individuele zelfbeschikking tot kern gemaakt werd van een nieuwe sterk geliberaliseerde publieke moraal met onder meer legalisatie van abortus, euthanasie en homohuwelijk als uitvloeisel, evenals een vergaande subjectivering van het familierecht en de gezinsverhoudingen.

Niet het klassieke heteroseksuele gezin was nog de hoeksteen van dat familierecht, maar de mens als individu en zijn recht om eigen seksuele en morele voorkeur te bepalen of en zo ja hoe hij/zij een gezin wil stichten, heteroseksueel of homoseksueel, biologisch of kunstmatig, tijdelijk of duurzaam. Ook in vragen van leven en dood is het individuele zelfbeschikkingsrecht meer voorop komen te staan.

Sinds de Fortuynrevolte in 2002 en de terugkeer sindsdien van het CDA als politieke hoofdrolspeler komt er meer en meer een reactie op gang tegen de invloed van de links-liberale omwenteling van de jaren zestig.

De liberaal geïnspireerde publieke moraal wordt daardoor inzet van politieke discussie. Herijking daarvan achten critici nodig ter bestrijding van de excessen waartoe die moraal volgens hen geleid heeft.

Op verzoek van het kabinet-Balkenende heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zich over die problematiek gebogen. In zijn rapport ‘Waarden, normen en de last van het gedrag’ (2003) constateert de Raad dat het probleem niet zozeer ligt in het ontbreken van een brede consensus over onze fundamentele waarden en normen, maar veeleer in de omvang van normoverschrijdend gedrag en de gebrekkige handhaving van gevestigde normen. Dat lijkt mij een goed uitgangspunt voor het nieuw te vormen kabinet wat de ethische agenda betreft.

De vraag die bij velen leeft is in hoeverre de juist geschetste liberalisering van onze publieke moraal teruggedraaid zal worden. In de trant van het WRR-rapport lijkt me het meest waarschijnlijk en ook wenselijk dat een sterker accent gelegd zal worden op een strikte handhaving van de waarden en normen die aan onze rechtsorde ten grondslag liggen.

Daar maakt inmiddels ook de legalisatie van abortus, euthanasie en het homohuwelijk deel van uit. Wat abortus betreft, de legalisatie daarvan is in de meeste lidstaten van de Europese Unie inmiddels een feit. In 2002 heeft het Europese Parlement zich uitgesproken voor legalisatie van abortus in de hele EU, inclusief de nieuwe lidstaten. Daar valt redelijkerwijze niet meer aan te tornen, hoogstens aan de uitvoeringspraktijk.

Euthanasie is in de EU nog omstreden. En ook in Nederland is er een tegenstroming die verbetering van de palliatieve zorg als alternatief bepleit. Uit onderzoek is echter gebleken dat de overgrote meerderheid van de bevolking hier achter het recht op euthanasie staat.

Dit gegeven zal het uitgangspunt van het nieuw te vormen kabinet moeten zijn bij het overleg over deze kwestie. Op dit punt valt redelijkerwijze niet meer te verwachten dan dat strikte handhaving van de eisen van procedurele zorgvuldigheid gestipuleerd wordt.

Voor legalisatie van het recht op hulp bij zelfdoding waar sinds de jaren negentig voor geijverd wordt als uitvloeisel van het zelfbeschikkingsrecht zal een kabinet waarin het confessioneel-christelijke element de overhand heeft uiteraard niet ontvankelijk zijn.

Het homohuwelijk stuitte aanvankelijk niet alleen op grote weerstand in christelijke, maar ook in liberale kring. Ook daar is het met krachtige argumenten bestreden, evenals het recht van homoparen op adoptie. Maar dat verzet is verrassend snel gebroken. Verrassend omdat de invoering van geregistreerd partnerschap voor homoparen een goed alternatief leek voor het burgerlijk huwelijk.

Onder invloed van de morele omwenteling van de jaren zestig gold dat in progressieve kringen bovendien als een verouderd instituut, reden waarom progressieve juristen nog in de jaren tachtig voor afschaffing daarvan pleitten.

De homo-emancipatie is inmiddels zover gevorderd dat het homohuwelijk al de status gekregen heeft van een typisch Nederlandse verworvenheid waaraan niet getornd mag worden zoals tijdens de referendumdiscussie over het Europees grondwettelijk verdrag met klem betoogd werd. Uit onderzoek tot nu toe is gebleken dat homoseksuele gezinnen niet slechter functioneren dan die met een vader en een moeder.

In deze en andere ethische kwesties is de PvdA zozeer verweven geraakt met de liberalisering van de publieke moraal dat er ook om die reden voor het beoogde nieuwe kabinet weinig politieke ruimte is om daarop inbreuken van betekenis te maken. Alleen in de marge valt hoogstens wat te veranderen. Rouvoet heeft dat als leider van de ChristenUnie ook wel in de gaten.

Tot het normen- en waardendebat van de afgelopen jaren zoals dat van linkse zijde is gevoerd, behoort ook de verantwoordelijkheid van de overheid voor de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu en voor een sociaal verantwoord beleid.

Dit is overigens geen typisch linkse aangelegenheid, maar een grondwettelijke plicht voor alle partijen. In de komende kabinetsperiode zal dat in ieder geval meer aandacht moeten krijgen.

S.W. Couwenberg is directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi en oud-hoogleraar Staats- en Bestuursrecht.

Eerdere bijdragen in deze serie staan op www.nrc.nl/opinie

    • S.W. Couwenberg