International Crisis Group vult gat in de diplomatie

Het laatste deel in een korte serie over internationale organisaties voor mensenrechten en democratie. International Crisis Group zoekt vooral contacten die er toe doen.

„Wat International Crisis Group echt effectief maakt, is het lobbywerk dat we doen: het directe contact met hoge beleidsmakers en degenen die hen beïnvloeden.” Zo verklaarde directeur Gareth Evans het succes van International Crisis Group (ICG) in een video ter ere van het tienjarige bestaan van de organisatie in 2005. „We proberen met mensen te praten die er toe doen, in een taal die zij verstaan en met een professionalisme dat zij begrijpen.”

Evans kan het weten. Als oud-minister van Buitenlandse Zaken van Australië heeft hij een uitgebreid netwerk van hooggeplaatste politici en beleidsmakers opgebouwd. Zoals Andrew Stroehlein, mediadirecteur bij ICG, het verwoordt: „Als Evans om een ontmoeting met iemand op het allerhoogste niveau vraagt, dan krijgt hij die ook. Veel mensen in onze raad van bestuur hebben net zoveel invloed en net zo’n groot netwerk als hij.”

Bij zijn aantreden zei Evans in een interview met de International Herald Tribune dat ICG met haar werk in een gat is gesprongen. Regeringen bezuinigen steeds meer op mensen en middelen voor ambassades en diplomatieke missies. Ambassades houden zich volgens hem steeds meer bezig met handelsbetrekkingen en minder met de traditionele taak van de diplomatie: het rapporteren van politieke ontwikkelingen.

Voor het schrijven van rapporten heeft ICG een uitgebreide groep politieke analisten in dienst die in conflictgebieden informatie verzamelen. Velen van hen zijn voormalige diplomaten, academici of journalisten. „Voorwaarde om als analist voor ICG te werken is dat je in het gebied gewoond of gewerkt hebt, de taal spreekt en er een uitgebreid netwerk hebt opgebouwd”, zegt Stroehlein. Op basis van de informatie van deze analisten stuurt ICG elke week de nieuwsbrief Crisiswatch rond. Veel ministeries en nieuwsredacties zijn erop geabonneerd.

Uiteindelijk draait het bij ICG om de rapporten die de analisten schrijven. Want daaruit wordt door media regelmatig geciteerd, ook door NRC Handelsblad. In elk rapport staat een analyse van het conflict en concrete aanbevelingen om dat conflict te vermijden, op te lossen of in te dammen. Om te voorkomen dat de aanbevelingen niet uitvoerbaar zijn, spreekt de organisatie uitgebreid met alle betrokken regeringen.

Als een rapport er eenmaal is, begint het netwerken. De analisten gaan op een zorgvuldig geplande tour langs zoveel mogelijk ministeries, regeringen en andere instellingen. Stroehlein: „Zij zijn de mensen die de informatie verzamelen en kunnen daardoor de rol van authentieke pleitbezorger spelen. Ambtenaren en beleidsmakers waarderen het als ze iemand op bezoek krijgen die ze meer kan vertellen dan in het rapport staat. Wij sturen iemand naar ze toe die drie dagen geleden nog in Oeganda was.” Ook de Nederlandse ambassades nodigen zo nu en dan analisten uit voor meer informatie over crisisgebieden.

Vooral kleine landen hebben profijt van de expertise van ICG. Zij hebben vaak niet veel personeel in bepaalde landen en ook zijn hun inlichtingendiensten niet overal actief. „Maar ze willen wel informatie hebben over een bepaald conflict. Dan zijn wij een uitkomst”, zegt Stroehlein. „Dat maakt ons in zekere zin machtig. Maar we maken ons geen illusies. We zijn een klein radertje in een groter geheel. Het beleid van een land hangt ook af van politieke en bureaucratische factoren.”

ICG krijgt geld van verschillende landen en stichtingen. Stroehlein vindt niet dat ICG daarmee haar onafhankelijkheid op het spel zet. „Als je geld van een regering krijgt, heb je een probleem. Maar als je geld krijgt van 25 verschillende regeringen, dan ben je flexibel”, legt hij uit. Ik heb nog nooit meegemaakt dat we onder druk zijn gezet.”

Hoe weet ICG dat ze succesvol is? Conflicten die voorkomen worden, leveren immers geen erkenning op. Want hoe valt met zekerheid te zeggen dat de geschiedenis zonder de bemiddeling van ICG anders was gelopen? Alleen waarschuwingen die in de wind worden geslagen kunnen als bewijs dienen dat de organisatie het bij het juiste einde had.

Een goed voorbeeld zijn de aanslagen op Bali in 2002. Twee maanden daarvoor bracht de afdeling Zuidoost-Azië van ICG een rapport uit over Jemaah Islamiah, het terreurnetwerk dat er nu van verdacht wordt de aanslagen te hebben uitgevoerd. Het rapport werd toen nauwelijks opgepikt, maar na de aanslagen waren de beschrijvingen van de achtergrond en de training van belangrijke leden van Jemaah Islamiah een bron van informatie voor het Indonesische politieteam.