Genocide mag nimmer ontkend worden

Onder de kop ‘Waarheid over Holocaust geen staatszaak’ pleitte Chris van der Heijden tegen een wettelijk verbod op ontkenning van de holocaust (Opiniepagina, 25 januari). Er zijn evenwel heel goede redenen vóór zo’n verbod.

Oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide zijn de ernstigste collectieve misdaden die mensen in georganiseerd verband en onder regie van een staat of regime andere mensen kunnen aandoen. Van deze drie categorieën misdrijven kan genocide gelden als de meest catastrofale misdaad, met uiterst ontwrichtende gevolgen die zeer lang doorwerken. In de achter ons liggende eeuw heeft grootschalige genocide herhaaldelijk plaatsgevonden en is ook gebleken dat geen enkele samenleving of beschaving immuun is voor genocide. Democratie, rechtsstaat en een legitiem geweldsmonopolie bieden vooralsnog de beste, zij het relatieve, bescherming tegen het plaatsvinden van genocide. Maar preventie van genocide in de toekomst vereist ook dat genociden uit het verleden bestudeerd, besproken en uitdrukkelijk erkend worden en dat zoveel mogelijk mensen zich bewust zijn van het uiterst kwaadaardige en destructieve karakter van genocidale processen.

Wie zich verdiept in ontkenning van de Holocaust en andere genociden ontdekt al spoedig dat ontkenning, zowel op het niveau van individuele ontkenners als op het niveau van ontkennende overheden, juist tegen dergelijke preventie gericht is. Ontkenners zijn niet geïnteresseerd in uitbreiding van hun kennis, in nader onderzoek of in een open discussie over genocide. Zij hebben, net als gelovigen, een overtuiging die ze niet kritisch willen toetsen maar die ze wel willen uitdragen.

Allereerst beogen ontkenners genocide goed te praten, te rationaliseren, te bagatelliseren en te trivialiseren. Ten tweede zijn ze erop uit de daders, van hoog tot laag, te beschermen en hun daden en belangen veilig te stellen. Wat vooral voorkomen moet worden zijn juridische vervolging, berechting, het afleggen van verantwoording, en het verschaffen van enigerlei compensatie aan overlevenden en nabestaanden. Ten derde beogen ontkenners overlevenden en nabestaanden zo diep mogelijk te grieven en te vernederen. Ontkenners lasteren doelbewust, zaaien haat en prediken soms zelfs voortgezet geweld tegen de vervolgden van voorheen. De moord op de Armeens-Turkse journalist Hrant Dink kan in dit licht gezien worden.

Holocaustontkenning is voor alles een vorm van antisemitisme. De ontkenners van de Armeense genocide trappen doelbewust op het hart van vele Armeniërs. Loochenaars van de Rwandese genocide willen de haat tegen Tutsi’s in leven houden. Degenen die de Cambodjaanse genocide ontkennen zijn erop uit de nagedachtenis van de miljoenen omgekomen Khmer te doen vergeten. En hoe het huidige Soedanese regime ontkenningspolitiek bedrijft, valt vrijwel dagelijks in de krant lezen.

Binnen het wetenschappelijke bedrijf van genocidestudies is ontkenning een bekend fenomeen, het is onlosmakelijk verbonden met het genocidale proces zelf. Ontkenning achteraf, vooral door staatsoverheden, wordt door sommigen wel beschouwd als ‘het laatste stadium van genocide’.

Zo bezien is het merkwaardig dat zoveel vermoedelijk goedbedoelende ridders van het vrije woord het opnemen voor genocideontkenners en voor hen ‘het recht op vrije meningsuiting’ opeisen. Dat lijkt vooral een gevolg van diepgaande politieke en morele verwarring. Eén belangrijke bron van die verwarring is dat men lijkt te denken dat strafbaarstelling van genocideontkenning hetzelfde is als het verbieden van onderzoek of open wetenschappelijke en publieke discussie op basis van argumenten. Die verwarring neemt nog toe wanneer men meent dat ‘de staat’ ‘de historische waarheid’ gaat voorschrijven, zoals Van der Heijden impliceert. Van dit alles is echter geen enkele sprake. Het principe van de vrijheid van meningsuiting is uiteraard van fundamenteel belang voor elke samenleving die democratisch wil zijn.

Maar de voorstellen tot strafbaarstelling schrijven niets voor, ze sluiten slechts iets uit: wie in het publiek genocide ontkent met het oogmerk aan te zetten tot haat, discriminatie of geweld, dient rekening te houden met mogelijke juridische consequenties. We vinden het heel normaal dat het plegen van en het oproepen tot geweld aan burgers in onze samenleving verboden is en dat laster, discriminatie en het zaaien van haat juridisch kunnen worden bestreden.

Het strafbaar stellen van genocideontkenning past hierbij. Zo’n strafbaarstelling getuigt van het besef van de duistere kanten van de westerse beschaving in het verleden en van de kwetsbaarheid van elke samenleving voor het grote kwaad dat genocide is.

Ton Zwaan is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. In 2005 publiceerde hij, samen met Bob de Graaff, ‘Genocide en de crisis van Joegoslavië, 1985-2005’.

Het artikel van Chris van der Heijden is na te lezen op www.nrc.nl/opinie

    • Ton Zwaan