Euratom-verdrag kan de weg wijzen

De Duitse Bondskanselier Konrad Adenauer heeft eens gezegd: „Wie van gedachten verandert, heeft er in ieder geval over nagedacht.” In het artikel ‘Alle kernwapens de wereld uit, dus ook uit Amerika’ (Opinie & Debat, 20 januari) geven Henry A. Kissinger, Sam Nunn, William J. Perry en George P. Shultz duidelijk aan hoe ook zij, dankzij nadenken, het gebruik van kernwapens niet meer als een zinvolle optie zien.

Dat is een stap voorwaarts, maar hoe komen we echt van die kernwapens af? Daarvoor is het noodzakelijk nog verder terug te kijken dan naar 1953, toen met het genereuze Amerikaanse programma ‘Atoms for Peace’ geprobeerd werd de verdere verspreiding van kernwapens te stoppen, maar de wapens zelf te behouden. Geen gemakkelijke opgave, want wie zelf in kernwapens gelooft, kan een ander moeilijk ervan overtuigen dat ze overbodig zijn.

In juli 1951 was Nederland in samenwerking met Noorwegen en Groot-Brittannië erin geslaagd om een kernreactor te bouwen. In 1953 had prof. J. Kistemaker 10 milligram verrijkt uraan gemaakt. En ook de gevoelige techniek van de opwerking werd in internationale samenwerking onderzocht. Dit alles zonder ‘geheimhouding’. Het was dus overduidelijk dat ook zonder Amerikaanse hulp veel landen zouden kunnen volgen op de weg naar de vreedzame toepassingen van de kernsplijting.

In 1946 stelden de VN een discussiestuk op, uitgaande van een beheersconcept dat niet in de eerste plaats steunde op beheersen en inspecties maar op een dynamische internationale organisatie van wetenschap en bestuur gericht op de vreedzame ontwikkeling van kernenergie, met uitoefening van het eigendomsrecht over installaties, materialen en processen die nodig zijn voor het maken van kernwapens. Dit supranationale beheer van de splijtstoffen en de nucleaire activiteiten zou uitgeoefend worden door een nader te bepalen Atomic Development Authority.

Dit Acheson Lilienthal-voorstel werd echter door de Amerikaanse vertegenwoordiger bij de VN, Bernard Baruch, dusdanig gepresenteerd dat het niet in de sfeer van vreedzame gemeenschappelijkheid, maar in de sfeer van een royaal Amerikaans aanbod lag, gepaard gaande met het dreigen met straf (naar het voorbeeld van het gerechtshof in Neurenberg waar de nazi’s veroordeeld werden). Zo werd dit onderwerp onderdeel van een machtsstrijd. Het duurde tot de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) in 1957 dat de sfeer van vreedzame gemeenschappelijkheid met supranationaal gezag terugkeerde. Van Euratom maakten de zes landen van de Europese Eonomische Gemeenschap – voorloper van de Europese Unie –deel uit.

In tegenstelling tot het later tot stand gekomen Non-proliferatieverdrag was het Euratom-verdrag weliswaar gericht op de ‘werken des vredes’, maar sloot het de ontwikkeling van kernwapens niet uit. Alleen zouden de staten waar kernmateriaal voor militair gebruik werd afgezonderd dit moeten melden om een uitzondering ten aanzien van verdere rapportage en inspectie te krijgen. Verder valt alle gebruik van de splijtstoffen onder het eigendomsrecht van de gemeenschap waaruit verreikende bevoegdheden tot ingrijpen volgen.

Het op deze manier openhouden van de kernwapenoptie was in 1956 voor de Duitse Bondskanselier Adenauer een opluchting. Deze niet-discriminerende formulering van het Euratom-verdrag heeft de basis gelegd voor het ‘beste inspectiesysteem ter wereld’, waarin de vreedzame nucleaire activiteiten van de kernwapenstaten en niet-kernwapenstaten op gelijke manier behandeld werden. Door de toenemende verwevenheid op velerlei gebied van de landen van de Europese Gemeenschap ontstond wederzijds vertrouwen en leerden de staten elkaar zo goed kennen, dat er vandaag vrijwel niemand meer gelooft dat Duitsland kernwapens zou willen verkrijgen.

In het midden van de jaren negentig ging Amerika agressief tekeer tegen Iran in verband met mogelijke kernwapenverlangens. Dat was een grote vergissing. In plaats van een goede relatie op te bouwen met Iran waarin, naar het voorbeeld van Duitsland uit het midden van de vorige eeuw, tegenover een normale verhouding ook inspectierechten zouden staan, is er alles aan gedaan om deze mogelijkheid te frustreren. Onlangs rapporteerde de Amerikaanse geheime dienst nog dat er te weinig betrouwbare informatie over Iran beschikbaar was om de kernwapenbeschuldiging met harde feiten te onderbouwen.

Gelukkig groeit nu het inzicht dat ook dreigen met kernwapens geen goede politieke optie is, want het uiteindelijke gebruik gaat onherroepelijk gepaard met verontwaardiging, dus een verlies van waarde van de gebruiker. Blind vertrouwen op kernwapens is onverantwoord.

Door het VN-mandaat heeft het Internationale Atoombureau IAEA bewezen dat in Irak alle kernwapenactiviteiten vernietigd waren, en later dat er geen enkele nieuwe activiteit was gestart. Net als in de EU zullen bij een voortschrijdende kernontwapening alle staten even goed geïnspecteerd moeten worden. Dat kost geld. Maar dat kost beduidend minder dan de huidige bekende en onbekende kernwapenprogramma’s en nucleaire arsenalen kosten.

De weg van het Euratom-verdrag is: niet zeuren over kernwapenintenties, maar concreet alle nucleaire activiteiten en alle voor kernwapens geschikt materialen onder supranationaal gezag plaatsen en inspecteren. Dit is de enige weg die ertoe leidt om kernwapens de wereld uit te krijgen.

Het lijkt vandaag nog absurd, maar met het groeien van dit inzicht zal de macht der machtelozen de machtigen duidelijk maken dat ze met kernwapens uiteindelijk onmachtig zijn.

Jörn Harry is adviseur splijtstofbewaking en non-proliferatie.

Het artikel van Kissinger e.a. is na te lezen op www.nrc.nl/opinie.