Beleid langs lijnen van religie

De Unie van Utrecht van 1579 is vorige week herdacht met een bijeenkomst van een kardinaal, enkele dominees, pandits, rabbijnen, imams, een boeddhistische monnik en één vrouw die wel het humanisme zal hebben vertegenwoordigd.

Wij zijn een pluriform en verdraagzaam landje, die boodschap straalden zij eendrachtig uit en die zetten ze ook nog eens plechtig op papier: zij spraken af in vrijheid en vrede met elkaar te willen samenleven.

Zoals Multatuli al schreef: de godsdienst is een schone zaak en schept het mensdom veel vermaak. De herdenking van de Unie, in het bijzijn van de koningin, had iets weg van een hypermodieuze catwalk vol veelkleurige gewaden. Je kon er ook een bruegeliaanse carnavalsviering in zien. Boven een foto van de verkleedpartij had Trouw de kop geplaatst: ‘De basis voor samenleving’. Toen ik was uitgelachen, trok ik mijn gezicht dadelijk in een respectvolle plooi, want iedereen heeft recht op zijn tradities en gebruiken, die als waardevolle elementen van de veelzijdige cultuur kunnen worden opgevat.

De bedoeling was uiteraard goed. Het is mooi dat vertegenwoordigers van religies en levensbeschouwingen overeenkomen elkander niet de schedel te zullen inslaan. Toch leek het verband met de Unie van Utrecht me nogal vergezocht. Dat was een staatsrechtelijk verdrag tegen de Spaanse koning Filips II, waarin het geloof (maar niet het belijden van een godsdienst) werd erkend als te behoren tot het persoonlijke in plaats van tot het vorstelijke domein.

Godsdienstvrijheid heeft na de Unie van Utrecht nog ruim twee eeuwen op zich laten wachten. In de tussentijd moest er nog een Tachtigjarige Oorlog, een Dertigjarige Oorlog in Duitsland en een Franse Revolutie aan te pas komen voordat er van godsdienstvrijheid sprake was.

Met enige goede wil kan men het nog wel eens zijn met de als feestredenaar ingehuurde Amsterdamse wethouder Aboutaleb, dat de Unie van Utrecht een streven naar religieuze pacificatie uitdrukte. Voor historische parallellen moet je niettemin beducht zijn. Aboutaleb riep de godsdienstige leiders op tot een nieuwe Unie van Utrecht. Volgens mij past dit in het streven om religie, van welke snit dan ook, een politiek-maatschappelijke rol toe te bedelen. Omdat de christelijke kerken die rol hebben verloren moet die nu in onderlinge samenwerking worden overgenomen door ‘vertegenwoordigers van religies hier bij elkaar’. Volgens Aboutaleb ligt de parallel tussen de Unie van Utrecht en het heden in het streven naar een stabiele samenleving langs lijnen van religieuze verdraagzaamheid.

Bravo voor dit laatste. Echter, het beeld van de bijeenkomst toonde nu juist een verheerlijking van sektarisme en traditionalisme, die met de moderne geseculariseerde samenleving hooguit nog zijdelings in verband staan. Het is uiteraard toe te juichen dat allerlei subculturen zich onderling verstaan onder handhaving van hun diversiteit, identiteit en tradities. Maar Aboutaleb ziet hierin de sleutel tot maatschappelijke cohesie, wat een enorme overschatting is. En erger dan dat, want de vraag die hij stelde noch beantwoordde, is hoe één en ander zich verhoudt met de scheiding tussen kerk en staat.

De vrome, zoetsappige en obligate overeenkomst tussen de religieuze leiders over onderlinge verdraagzaamheid, is ofwel niets waard, ofwel zij betekent wel degelijk iets. Dat kan dan alleen maar het streven naar meer invloed van religie op het overheidsbeleid zijn. Aboutaleb wil cohesie en integratie. De ‘gezamenlijke culturele basis’ is ononderhandelbaar, verklaarde hij. Met cultuur bleek hij de rechtsstaat te bedoelen. Maar handhaving daarvan moet de overheid zelf voor haar verantwoording nemen, in plaats van een beroep te doen op het religieuze, levensbeschouwelijke of spirituele gezag.

De Amsterdamse wethouder riep op tot ‘religieuze pacificatie’. Het schoolvoorbeeld daarvan is, behalve de Unie van Utrecht, volgens hem de Onderwijspacificatie van 1917. Daarbij werd, zo meende hij te weten, „het staatsgefinancierde bijzonder onderwijs uitgeruild tegen het vrouwenkiesrecht”. Daar klopt niets van. Het ging om het algemeen mannenkiesrecht. En het was geen religieuze, maar een politieke pacificatie. Tegenwoordig is het bijzonder onderwijs een voorbeeld van segregatie. Dat weet Aboutaleb, na al het gedonderjaag met islamitische scholen, beter dan wie ook. Moeten wij nu voor het algemeen kiesrecht (inclusief dat van vrouwen) in de 21ste eeuw alsnog de prijs van toenemende desintegratie betalen? En moet dat soms religieuze pacificatie heten? Dat is zeldzaam naïef.

De bedoelingen van Aboutaleb, verzoening, tolerantie, ordening, staan boven verdenking. Ik begrijp alleen niet dat daar het suikerwater van de religie over moet worden uitgegoten. Moeten de imams en ouderlingen de rechtsstaat handhaven, of moet de overheid dat doen? Wie nu voorstelt om dat ‘samen’ te doen, geeft de godsdienst een politieke rol die haar niet toekomt. Het oppoetsen van de rol van de religie in de politiek is geen antwoord op het moslimfundamentalisme (zoals Aboutaleb hoopt), maar niets anders dan een reactie op de verworvenheden van de seculiere samenleving. De religieuze politiek keert zich tegen de toegenomen verantwoordelijkheid van het individu, dat zich losmaakt van godsdienstige voorschriften en de knellende banden van het groepsdenken.

Ik hoop dat Aboutaleb en zijn partij zich voor die seculiere staat en voor de emancipatie van het individu sterk blijven maken. Op dit punt roept de kabinetsformatie enig wantrouwen op. Een groep vrouwen heeft zich al in een open brief tot de PvdA gewend omdat zij bang zijn dat als concessie aan de ChristenUnie het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw weer onder druk komt te staan. Zij verwachten heus niet dat de juridische regeling van de abortus, tot stand gekomen tegen het verzet in van de kerkelijke gezagsdragers en confessionele politici, kan worden teruggedraaid. Dat zal de PvdA nooit doen. Iets anders is, dat er onmiskenbaar een reactie gaande is tegen de ontkerkelijking in de politiek en in het verlengde daarvan tegen de emancipatie van de vrouw.

Die reactie is niet specifiek toe te schrijven aan de orthodoxe christenen, zij draagt een algemener karakter. De vreemd uitgedoste mannen voor wie Aboutaleb in Utrecht sprak willen niet eens terug naar de benepen jaren vijftig, die willen, daar verdenk ik hen van, het liefst terug naar de zestiende eeuw.

    • Elsbeth Etty